8 september


Job en het probleem van het lijden

Nu, zo'n 45 jaar na de eerste deportatie uit Juda, is Gods verkozen volk nog steeds een uiteengeslagen volk. Maar op dit moment moeten velen van hen zich wel afvragen of er echt een God is – niet een “staatsgod” die verbonden is aan een volk dat bijna volledig vernietigd is, maar een persoonlijke God die hun individuele ellende kent en zich toch om hen bekommert. Zelfs de boosaardige en opstandige ballingen, die ondertussen toch ook wel om verlossing moeten hebben gebeden, denken ongetwijfeld dat God hen niet meer hoort. Een volk dat te lijden heeft, heeft met een groot aantal vragen te kampen: hoe kunnen zij in een God geloven die een dergelijk lijden toestaat? Maar aan de andere kant, hoe kunnen zij in tijden van tegenspoed een God vervloeken die hen voorheen zoveel voorspoed had gebracht? Is hun geloof afhankelijk van hun economische welzijn?
Maar de mensen die het meest verward moeten zijn, zijn de mensen die God trouw zijn; degenen die om die reden hun persoonlijke betrokkenheid in al deze ellende nooit goed hebben begrepen. Nadat zij hun God trouw zijn gebleven terwijl alle andere mensen afgoderij en boosaardigheid najoegen, krijgen zij dezelfde beloning – en soms nog erger. Ook zij werden gevangengenomen. Ook zij zagen hoe hun kinderen door zwaarden werden doorboord. Tijdens het beleg van Jeruzalem hadden ook zij honger en waren ook zij slachtoffers van plagen en ziektes. Hier in gevangenschap hebben zij nog steeds vaak honger en hebben zij niet genoeg kleren. Wat is er met de belofte gebeurd dat het de rechtschapen mensen goed zou gaan? Waarom werden sommige slechte mensen niet in ballingschap afgevoerd, maar mochten zij blijven en gaat het hen goed onder dezelfde regering die hun landgenoten tot slaven heeft gemaakt? Waar is Gods rechtvaardigheid in dergelijke omstandigheden? En als de straf bestemd is voor de goddelozen, welke zonde heeft dan geleid tot dit lijden van de rechtschapenen?
Natuurlijk zijn dit dezelfde vragen die elke andere generatie stelt over dood, verdriet, pijn en lijden. Maar omdat Zijn volk in deze tijd zo enorm te lijden heeft, is het mogelijk dat God deze context heeft gekozen om tenminste enig inzicht te verschaffen in de netelige theologische vragen en de intense emotionele gevoelens van individuele mensen die te lijden hebben. Al bestaan er grote meningsverschillen over de feitelijk datering van het boek Job, toch is het mogelijk dat dit uitmuntende literaire meesterwerk in deze periode werd geschreven. Het boek is geschreven in de vorm van een historisch gedicht. Het is historisch omdat het gebaseerd is op het leven van een van de vroege patriarchen, Job genaamd. Jobs standvastigheid, zelfs na meer tegenspoed dan de meeste mensen ooit zullen kennen, is legendarisch. Zelfs de profeet Ezechiël verwees naar Job, evenals naar Noach en Daniël, als een enorm rechtschapen mens. Maar toch had Job blijkbaar moeite met de redenen voor zijn rampspoed voordat hij er vrede mee kon hebben. Daarom is het heel toepasselijk dat dit gedicht het probleem van het lijden bespreekt op basis van Jobs persoonlijke strijd.
Er is nog een andere reden waarom Job zo'n gepaste keuze is. In deze tijd waarin mensen op zoek zijn naar een persoonlijke God neemt de schrijver hen terug naar een tijd vóór hun eigen profeten, vóór de Wet werd onderwezen, vóór de beloften aan Abraham gedaan werden, naar een man die niet eens een van de kinderen van Israël is. Hij is slechts een enkele man die om onduidelijke redenen met een vreselijk lijden te maken heeft. Het eerste bedrijf van het verhaal van Job begint met een voorstelling van Jobs benijdenswaardige welvaart, maar gaat dan snel over tot een gesprek tussen God en Satan. Wanneer God Job noemt als voorbeeld van een rechtschapen mens, suggereert Satan dat Job alleen rechtschapen blijft omdat het hem zo goed gaat. God staat Satan toe om deze theorie aan de praktijk te toetsen door Job zijn rijkdommen af te nemen. Jobs geloof blijft intact. Dus suggereert Satan vervolgens dat Jobs eigen lichamelijke lijden ertoe zal leiden dat hij God zal vervloeken. Opnieuw wordt Satan door Job teleurgesteld.
In het tweede bedrijf vervloekt Job God nog steeds niet, maar stelt hij wel moeilijke vragen. Waarom moet hij, een rechtschapen mens, lijden? Welke zonden hebben dit leed over hem afgeroepen? Waarom is God zo inconsequent wat betreft het straffen van slechte mensen? Tijdens dit betoog van Job tegen God, geven drie vrienden van Job – Elifaz, Bildad en Zofar – hun tegenargumenten. Zij proberen hem ervan te overtuigen dat het antwoord gevonden kan worden in een eenvoudige gedachtegang: God bestraft zonde altijd; lijden is het gevolg van zonde; daarom is Job een grotere zondaar dan hij wil toegeven. Maar tijdens deze hele discussie houdt Job vol dat hij onschuldig is en eist hij dat hem verteld wordt hoe God dit kan goedpraten.
In het derde bedrijf worden we voorgesteld aan een man die Elihu wordt genoemd en beweert dat noch Job, noch zijn vrienden het bij het juiste eind hebben. God handelt niet op een onvoorspelbare manier, zoals Job aanvoert, en lijden is niet noodzakelijkerwijs het gevolg van zonden, zoals Jobs vrienden menen. Elihu beweert dat lijden vaak door God gebruikt wordt om lessen te leren en om een mens te sterken.
In het laatste bedrijf spreekt God zelf tot Job en eist van hem te horen welk recht hij denkt te hebben om de Schepper van het universum en Zijn handelswijze in twijfel te trekken. Jobs nederige reactie laat de diepte van zijn rechtschapen karakter zien. Zijn welvaart wordt hersteld.

Job 1:1-3
WELVAART VAN JOB. In het land Uz leefde een oprecht en vroom man, Job. Hij had ontzag voor God en hield zich afzijdig van het kwaad. Hij had een groot gezin met zeven zonen en drie dochters. Hij bezat 7000 schapen, 3000 kamelen, 500 span ossen, 200 ezelinnen en een groot aantal dienaren. Hij was de rijkste man in de hele omgeving.

Job 1:4,5
RECHTSCHAPENHEID VAN JOB. Om de beurt hielden Jobs zonen een feest en nodigden dan hun drie zusters uit. Bij dergelijke gelegenheden hielden zij uitbundige feestmaaltijden. Na afloop van die feesten (en soms duurden deze enkele dagen) riep Job zijn kinderen altijd bij zich en heiligde hen. Daarvoor stond hij vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer. Hij deed dat met de overweging: "Misschien hebben mijn zonen gezondigd en hebben zij in hun hart God verlaten." Dit was een vaste gewoonte van Job.

Job 1:6-12
SATANS UITDAGING. Op een dag, toen de engelen zoals gewoonlijk voor de HERE verschenen, kwam ook satan, Gods tegenstander, met hen mee. "Waar komt u vandaan?" vroeg de HERE aan satan.
Deze antwoordde: "Ik heb een tocht gemaakt over de aarde."
De HERE vervolgde: "Hebt u ook mijn dienaar Job gezien? Hij is de beste man op aarde; zoals hij is er niemand anders, een eerlijk en vroom man die ontzag heeft voor God en met het kwaad niets te maken wil hebben."
"Waarom zou hij ook, nu U hem zo goed beloont?" antwoordde satan sarcastisch. "U hebt hem, zijn huis en zijn bezit altijd beschermd tegen mogelijk onheil. Bij alles wat hij doet, hebt U hem voorspoed gegeven; kijk maar eens hoeveel vee hij heeft. Geen wonder dat hij zo trouw is. Maar neem hem zijn rijkdom maar eens af, dan zult U zien dat hij U midden in Uw gezicht vervloekt!" De HERE ging op die uitdaging in en zei tegen satan: "U mag met zijn rijkdom doen wat u wilt, maar denk eraan, raak hem met geen vinger aan."

Job 1:13-19
JOB VERLIEST ALLES. Satan ging weg en niet lang daarna, terwijl Jobs zonen en dochters met elkaar de maaltijd gebruikten in het huis van hun oudste broer, sloeg het onheil toe. Een hijgende boodschapper bracht Job het nieuws: "Uw ossen waren aan het ploegen, terwijl de ezels naast hen stonden te grazen. Toen vielen de Sabeeërs ons aan; zij namen de dieren mee en doodden alle knechten, behalve mij! Ik ben de enige die het heeft overleefd."
Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam nog een boodschapper. Die vertelde: "Het vuur van God is uit de hemel naar beneden gevallen en heeft al uw schapen en de herders verbrand! Ik ben de enige, die in leven is gebleven."
Ook hij werd onderbroken door een andere onheilsbode: "Drie groepen Chaldeeën hebben uw kamelen gestolen en uw dienaren gedood! Ik ben de enige die het kan navertellen."
Weer kreeg de boodschapper geen tijd om uit te spreken, want de volgende kwam binnenrennen met de boodschap: "Uw zonen en dochters zaten aan een feestmaaltijd in het huis van hun oudste broer. Toen stortte plotseling een vreselijk harde woestijnwind zich op het huis. Het dak van het huis stortte in en heeft hen allen gedood! Ik was de enige die kon ontsnappen om het u te vertellen."

Job 1:20-22
JOBS REACTIE. Job stond op, scheurde zijn kleren als teken van zijn vreselijke verdriet en viel op de grond neer.

  "Naakt werd ik geboren", zei hij,
  "en ik zal net zo naakt zijn wanneer ik sterf.
  De HERE gaf mij alles wat ik bezat,
  Hij heeft het mij nu weer afgenomen.
  Gezegend is de naam van de HERE."

Het kwam niet bij Job op onder deze omstandigheden te zondigen of God de schuld te geven.

Job 2:1-9
JOB ZELF GETROFFEN. De engelen verschenen opnieuw voor de HERE en satan was er ook weer bij. "Waar komt u nu vandaan?" wilde de HERE van satan weten.
"Ik heb een tocht over de aarde gemaakt", was satans antwoord.
"En, hebt u nu op mijn dienaar Job gelet?" vroeg de HERE. "Hij is een voortreffelijk man; hij heeft ontzag voor God en gaat het verkeerde uit de weg. Hij heeft zijn geloof in Mij behouden, ondanks dat u Mij overhaalde u toe te staan hem zonder reden kwaad te doen."
"Zijn eigen huid is hem het meeste waard", vond satan. "Een mens zal alles doen om zijn leven te redden. Laat hem maar eens goed ziek worden, dan vervloekt hij U midden in Uw gezicht!"
"Doe met hem wat u wilt", antwoordde de HERE, "maar laat hem in leven."
Satan verliet de HERE en trof Job met vreselijke zweren. Van top tot teen zat hij onder. Job pakte een potscherf om zich mee te krabben en ging in de as zitten.
Zijn vrouw zei tegen hem: "Blijf je nog steeds zo gelovig, ondanks alles wat je moet meemaken? Keer God toch de rug toe!"

Job 2:10
JOBS REACTIE. Maar hij antwoordde: "Dat is dom gepraat. Verwachten wij alleen maar goede dingen uit de hand van God en nooit tegenslag of moeilijke dingen?" Ondanks al deze tegenslagen kwam geen verkeerd woord over Jobs lippen.

Job 2:11-13
JOBS DRIE VRIENDEN. Toen drie vrienden van Job hoorden van het leed dat hem getroffen had, spraken zij af naar hem toe te gaan om hem te troosten en te bemoedigen. Het waren de Temaniet Elifaz, de Suhiet Bildad en de Naämathiet Zofar. Job was zo veranderd dat zij hem van een afstand nauwelijks herkenden. Luid huilend scheurden zij hun kleren en gooiden stof in de lucht om hun verslagenheid kenbaar te maken. Zeven dagen en nachten zaten zij zwijgend bij hem op de grond. Niemand zei iets, want zij beseften dat zijn verdriet zo groot was, dat woorden tekortschoten.

Job

Job 3:1-26
JOB VERVLOEKT EIGEN GEBOORTE. Tenslotte verbrak Job het stilzwijgen en vervloekte de dag van zijn geboorte.

  "Vervloekt is de dag waarop ik werd geboren", zei hij,
  "en ook de nacht waarin men zei: 'We hebben een zoon!'
  Laat die dag voor altijd worden vergeten.
  Laat hem in de eeuwige duisternis verdwijnen;
  laat God er niet aan denken.
  Ja, laat de duisternis hem maar opslokken,
  hem overschaduwen met een donkere wolk
  en laat de zwartheid zijn licht overheersen.
  Laat hem maar van de kalender verdwijnen,
  zodat hij nooit meer wordt beschouwd als een dag van die maand in dat jaar!
  Laat het een doodse en vreugdeloze nacht zijn.
  Laten de geoefende vervloekers hem maar vervloeken.
  Laat de sterren van die nacht verdwijnen
  en laat hem verlangen naar het morgenlicht zonder het ooit te zien.
  Vervloek hem, omdat hij mijn moeders schoot niet gesloten hield
  en mij geboren liet worden,
  zodat ik nu al deze ellende met mijn eigen ogen moet zien.

  Waarom ben ik niet dood ter wereld gekomen
  of tijdens de geboorte gestorven?
  Waarom hebben knieën mij opgewacht,
  waarom borsten om mij te voeden?
  Was ik maar bij mijn geboorte gestorven,
  dan zou ik nu van de rust genieten en zou ik in vrede liggen
  naast koningen en machthebbers die vroeger ruïnes herbouwden
  en naast vorsten met paleizen vol schatten van zilver en goud.
  Och, was ik maar een miskraam geweest;
  dan was ik als hen geweest, die het licht niet hebben gezien!
  Want in de dood maken de goddelozen geen moeilijkheden meer mee
  en hebben de vermoeiden rust.
  Daar komen zelfs de gevangenen tot rust,
  omdat er geen gevangenbewaarder is die hen dwarszit.
  Rijk en arm zijn daar gelijk
  en de slaaf is daar uiteindelijk vrij van zijn meester.

  Waarom krijgen rampzaligen en mensen, die bitter bedroefd zijn licht en leven,
  terwijl zij verlangen naar een dood die maar niet komen wil?
  Zij zoeken die dood meer
  dan anderen naar voedsel en geld zoeken!
  Wat een vreugdevolle bevrijding
  als zij tenslotte toch sterven.
  Waarom wordt een mens geboren
  als God hem een uitzichtloos leven geeft
  waaruit geen ontsnapping mogelijk is?
  Ik kan niet eten, want mijn keel zit dicht van het zuchten,
  mijn klachten vloeien als water over mijn lippen.
  Wat ik altijd heb gevreesd, is nu gebeurd.
  Ik vind geen vrede en geen stilte;
  rust ken ik niet, alleen ellende."

Download (Het Boek)
Download (Statenvertaling)

De chronologische Bijbel -- september



Met dank aan Biblica en Harvest House Publishers. Nadruk en reproductie verboden.
Voor meer details, lees alsjeblieft onze copyrightvoorwaarden



WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen