26 september


Prediking van Haggaï en Zacharia

Vanaf dit punt zou de voltooiing van de tempel heel gemakkelijk moeten zijn. Maar de beëindiging van de officiële oppositie betekent nog niet dat het project niet meer met problemen te kampen heeft. Het volk van Israël is zelf nog een deel van het probleem. Zij hebben te maken met droogtes en hongersnood en daarom wordt het werk aan de tempel uitgesteld totdat zij zelf welvarend genoeg zijn om hun aandacht aan het bouwproject te besteden.
De twee mensen die het tempelproject redden zijn Haggaï en Zacharia, beiden profeten van God. Er is weinig bekend over Haggaï, maar er wordt aangenomen dat hij een van de ballingen is die zich de oude tempel nog herinnert, voordat deze werd verwoest. Als dat zo is, dan is hij waarschijnlijk minstens 75 jaar oud. Zijn heel jonge metgezel, Zacharia, werd blijkbaar in Babylonië geboren in de priesterlijke familie van Iddo, zijn grootvader. Natuurlijk werd het werk aan de tempel hervat door toedoen van Haggaï en Zacharia, en dat leidde tot de brief van Thathnai en de verordening van Darius. In de volgende vier maanden zullen zij het herbouwen nog verder aanmoedigen.
God vertelt het volk via Haggaï waarom zij met zulke zware economische problemen te maken hebben. Dit komt omdat zij hun eigen zelfzuchtige belangen de hoogste prioriteit hebben gegeven, in plaats van zich volledig toe te leggen op de bouw van de tempel. Haggaï ontvangt deze boodschap in de zomer van 520 voor Christus. Alhoewel de boodschap is gericht aan Zerubbabel, die gouverneur is geworden, en aan Jozua de hogepriester, is hij bedoeld voor het hele volk.

Hag. 1:1-11 (520 v.C.)
PRIORITEITEN AAN DE KAAK GESTELD. In de zesde maand van het tweede regeringsjaar van koning Darius I, sprak de HERE tot de profeet Haggaï. Haggaï moest deze woorden doorgeven aan Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de gouverneur van Juda, en aan hogepriester Jozua, de zoon van Jozadak.
De HERE van de hemelse legers stelde u de volgende vraag: "Waarom zegt iedereen dat het nog geen tijd is om mijn tempel te herbouwen?"
En via de profeet Haggaï stelde de HERE het volk dezelfde vraag: "Is het voor u dan wél tijd om in uw luxueuze huizen te wonen, terwijl mijn tempel in puin ligt?
'Welnu", zegt de HERE van de hemelse legers, "kijk eens naar het resultaat: U zaait veel, maar oogst weinig. U eet en drinkt wel, maar er is nooit genoeg voor iedereen. U hebt wel kleren, maar onvoldoende om u warm te houden. Uw loon is in een mum van tijd verdwenen: het lijkt wel of er gaten in uw zakken zitten!
Denk toch eens goed na", zegt de HERE van de hemelse legers. "Ga na wat u hebt gedaan en wat het gevolg ervan is geweest. Trek dan de bergen in, haal hout en herbouw mijn tempel. Dan zal Ik er werkelijk blij mee zijn en daar in macht en majesteit verschijnen", zegt de HERE. "U rekende op veel, maar kreeg weinig. En toen u het binnenhaalde, blies Ik het weg. Niets bleef over. En waarom? Omdat mijn tempel in puin ligt terwijl u allemaal voor uw eigen huis loopt te draven! Daarom houd Ik de regen tegen en geef u slechte oogsten. Ja, Ik riep zelfs een droogte op over het land en de bergen. Zo verdorden het graan, de druiven, de olijven en al uw andere gewassen. De droogte belaagt mens en dier en verwoest alles waarvoor u zich zo had ingespannen."

Binnen drie weken reageert het volk positief op Haggaï's prediking en wordt het werk weer serieus opgepakt.

Hag. 1:12,13
VOLK REAGEERT POSITIEF. Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en hogepriester Jozua, de zoon van Jozadak en de weinige mensen die nog in het land waren overgebleven, luisterden naar Haggaï's boodschap van de HERE, hun God. Zij begonnen in alle ernst de HERE te aanbidden. Toen stuurde de HERE opnieuw een boodschap aan Zijn volk via Zijn profeet Haggaï en zei: "Ik ben met u; Ik zal u zegenen."

Hag. 1:14-2:1
WERK HERVAT. En de HERE van de hemelse legers gaf Zerubbabel, Jozua en de weinige mensen die nog in het land waren, het verlangen in het hart om Zijn tempel te herbouwen. Aan het eind van diezelfde maand begonnen zij met de herbouw van de tempel.

Een maand later vraagt God Haggaï om aandacht te schenken aan de zorgen van de oudere ballingen, die hadden geweend toen de fundering van de tempel werd gelegd. Zij herinneren zich de schoonheid van de grote tempel van Salomo en zijn zich ervan bewust dat de nieuwe tempel kleiner en minder luisterrijk versierd zal zijn. Gods troostende woorden zijn mogelijk Messiaans van aard. Hij belooft hun dat Hij deze nieuwe tempel ooit met nog grotere glorie zal vullen, ook al zijn de architectonische details niet te vergelijken met Salomo's tempel. Misschien zinspeelt de boodschap op een symbolische manier wel op een andere tempel, of mogelijk op het feit dat de Messias persoonlijk door het gebouw zal lopen dat zij nu aan het bouwen zijn.

Hag. 2:2-10 (520 v.C.)
TOEKOMSTIGE GLORIE VAN TEMPEL. Bijna een maand later sprak de HERE weer tegen Zijn volk door middel van de profeet Haggaï. Haggaï moest aan gouverneur Zerubbabel en hogepriester Jozua en iedereen die was overgebleven in het land, vragen: "Wie van u kan zich herinneren hoe de tempel er vroeger uitzag? Was hij niet prachtig? Maar wat vindt u er nu van? Is het vergeleken bij het vorige huis van de HERE niet een nietig geval? Maar, Zerubbabel, houd de moed erin. En Jozua en alle anderen, laat u niet ontmoedigen en ga aan de slag, want Ik ben met u", zegt de HERE van de hemelse legers. "Toen u uit Egypte trok, heb Ik beloofd dat mijn Geest altijd bij u zou zijn. Wees daarom niet bang.
Binnen zeer korte tijd zal Ik de hemel en de aarde, de zee en het vasteland laten beven. Ik zal zelfs alle volken laten beven en de kostbaarheden van alle volken zullen naar mijn tempel komen en Ik zal deze plaats vullen met mijn macht en majesteit. Want al het zilver en goud is van Mij", zegt de HERE van de hemelse legers. "De heerlijkheid van deze tempel zal in de toekomst veel groter zijn dan die van de vorige tempel! En op deze plaats zal Ik vrede geven", stelt de HERE van de hemelse legers.

In de hieropvolgende maand ontvangt Zacharia een korte boodschap voor het volk om hen eraan te herinneren hoe hun voorvaders steeds weer struikelden en vervielen in zondige praktijken. Nu het werk aan de tempel is begonnen is er geen terugweg meer, behalve een terugkeer naar God.

Zach. 1:1-6 (520 v.C.)
LESSEN VAN VOORVADERS. In de achtste maand van koning Darius' tweede regeringsjaar ontving de profeet Zacharia, de zoon van Berechja en kleinzoon van Iddo, deze boodschap van de HERE:
"De HERE is toornig geweest op uw voorouders. Maar tegen u zegt Hij: 'Als u bij Mij terugkomt, zal Ik ook bij u terugkomen.' Wees niet zoals uw voorouders! De vroegere profeten zeiden tegen hen: 'De HERE van de hemelse legers zegt dat u moet ophouden met uw kwade praktijken', maar zij luisterden niet. Zij bekommerden zich niet om Mij. Wat is er van uw voorouders en hun profeten geworden? Mijn woord houdt echter eeuwig stand! De woorden die Ik door mijn profeten liet verkondigen, hebben uw voorouders tenslotte toch bereikt, waarna zij tot inkeer kwamen.
Toen moesten zij erkennen: 'De HERE van de hemelse legers had ons nog zo gewaarschuwd, maar moest uiteindelijk Zijn dreigementen toch uitvoeren. Wij kregen wat wij verdienden."

Aan het einde van de volgende maand borduurt Haggaï voort op het thema van Zacharia. Haggaï stelt dat de bouwers van de tempel niet kunnen beweren dat zij rechtschapen zijn, alleen omdat zij aan het huis van de Heer werken. Als hun persoonlijke levens niet heilig zijn, dan zal hun betrokkenheid bij de bouw van de tempel dit heiligdom zelfs onteren. Haggaï verpakt zijn lessen in de vorm van twee hypothetische vragen aan de priesters.

Hag. 2:11-15 (520 v.C.)
HYPOTHETISCHE VRAGEN. Op de vierentwintigste dag van de negende maand van koning Darius' tweede regeringsjaar, zei de HERE tegen de profeet Haggaï: "Stel de priesters deze vraag over de wet: 'Als één van u een stuk heilig offervlees in zijn kleren draagt en zijn kleren strijken toevallig langs wat brood, wijn of vlees, wordt dat dan ook heilig?"
"Nee, natuurlijk niet", antwoordden de priesters. "Heiligheid gaat niet zomaar van het ene op het andere over."
Toen vroeg Haggaï: "Maar als iemand een lijk aanraakt en zo volgens de wet onrein wordt en dan iets aanraakt, wordt dat dan onrein?"
"Ja, inderdaad", antwoordden de priesters.
Haggaï maakte toen zijn bedoeling duidelijk: "U maakt uw offers onrein", zei hij namens de HERE, "doordat u egoïstische motieven en een zondig hart hebt. En die onreinheid geldt niet alleen voor uw offers, maar ook voor alle andere dingen die u deed om Mij zogenaamd een dienst te bewijzen.

Hag. 2:16-20
WELVAART UIT TOEWIJDING. Vroeger, voor de herbouw van de tempel, ging het er steeds als volgt aan toe: Als u een graanoogst van twintig mud verwachtte, bleek er maar tien mud te zijn. Als u verwachtte vijftig vaten wijn uit de wijnpers te scheppen, bleken het er maar twintig te zijn. Ik stuurde plantenziekten, schimmel en hagel om uw oogst te vernielen, maar u bent niet naar Mij teruggekeerd", zegt de HERE. "Let nu eens goed op wat na vandaag, de vierentwintigste van deze maand, voortaan gaat gebeuren. Want vandaag zijn de fundamenten van de tempel van de HERE gelegd en van nu af zal Ik u zegenen. Bedenk dat Ik u deze belofte geef, voordat u zelfs maar bent begonnen aan de eigenlijke bouw van de tempel en voordat u uw graan hebt geoogst en voordat er een nieuwe oogst is van druiven, vijgen, granaatappels of olijven.
Dit is mijn belofte: Vanaf vandaag zal Ik u zegenen."

Later op diezelfde dag zal God een bijzondere boodschap brengen, schijnbaar bestemd voor gouverneur Zerubbabel. Maar er zijn redenen om te geloven dat deze profetische woorden niet naar Zerubbabel verwijzen, maar naar een andere leider van Gods volk – de komende Messias.

Hag. 2:21-24 (520 v.C.)
BIJZONDERE PROFETIE. Diezelfde dag ontving Haggaï nog een boodschap van de HERE. De HERE zei: "Zeg tegen Zerubbabel, de gouverneur van Juda: 'Ik zal de hemel en de aarde laten beven. Ik zal de regeringen van verscheidene koninkrijken omverwerpen en hun kracht ondermijnen. Ik zal hun strijdwagens met hun wagenmenners, en hun paarden met hun ruiters vernietigen. Zij zullen elkaar met het zwaard afmaken.
Wanneer dat gebeurt, zal Ik u, mijn dienaar Zerubbabel, een heel bijzondere functie geven. Want Ik heb u speciaal uitgekozen", zegt de HERE van de hemelse legers.

De bouw van de tempel is nu in volle gang en Haggaï verdwijnt van het toneel. Zijn bediening is weliswaar van korte duur geweest, maar heeft voorzien in een belangrijke behoefte wat betreft het herstel van het volk en het godsdienstige leven.


Download (Het Boek)
Download (Statenvertaling)

De chronologische Bijbel -- september



Met dank aan Biblica en Harvest House Publishers. Nadruk en reproductie verboden.
Voor meer details, lees alsjeblieft onze copyrightvoorwaarden



WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen