22 februari 

https://www.allaboutgod.com/dutch/vredeoffers-en-zondoffers.htm

22 februari


3. Vredeoffers

In tegenstelling tot de brand- en spijsoffers worden de vredeoffers (dieren of ongezuurde broden) slechts gedeeltelijk verbrand en wordt de rest opgegeten. Het maakt voor een vredeoffer ook niet uit of het dier mannelijk of vrouwelijk is. Als het offer vereist is, dan mogen alleen de priesters ervan eten; maar als het een vrijwillig offer is, dan mogen de aanbidders er ook van eten. Vredeoffers worden gebracht ter dankzegging en lofprijzing, en worden beschouwd als gemeenschapsmaaltijden tussen God en de mens.

Lev. 3:1-5
WAT BETREFT VEE. "Als iemand een dankoffer aan de HERE wil brengen, kan hij dat doen met een stier of een koe, maar het dier moet helemaal zonder gebreken zijn als het aan de HERE wordt geofferd! De man die het dier brengt, moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het bij de ingang van de tabernakel slachten. Daarna zullen Aärons zonen, de priesters, het bloed van het dier aan alle kanten van het altaar sprenkelen. Het dankoffer zal een brandoffer voor de HERE zijn. Het vet dat de ingewanden bedekt, de twee nieren en het vet dat daaraan zit en het vet dat aan de lendenen zit en het aanhangsel van de lever zullen de priesters, de zonen van Aäron, voor de HERE verbranden. In zo'n brandoffer verheugt de HERE Zich."

Lev. 3:6-11
WAT BETREFT SCHAPEN. "Als een geit of een schaap als dankoffer wordt gebracht aan de HERE, moet het zonder gebreken zijn en mag het zowel mannelijk als vrouwelijk zijn; ram of ooi, bok of geit. Als het een schaap is, moet de man die het brengt zijn hand op de kop leggen en het dier bij de ingang van de tabernakel slachten. De priesters zullen het bloed aan alle kanten van het altaar sprenkelen. Ook dit dankoffer zal een brandoffer voor de HERE zijn. Het vet, de staart, dicht bij de ruggegraat afgesneden, het vet dat de ingewanden bedekt, de twee nieren met het lendevet eraan en het aanhangsel van de lever zal hij ook offeren. Dit zal het brandoffer voor de HERE zijn."

Lev. 3:12-17
WAT BETREFT GEITEN. "Als iemand een geit brengt als een offer voor de HERE, moet hij zijn hand op de kop leggen en het dier bij de ingang van de tabernakel slachten. De priesters zullen het bloed aan alle kanten van het altaar sprenkelen en op het altaar, als een brandoffer aan de HERE, het volgende offeren: het vet dat de ingewanden bedekt, de twee nieren met het lendevet eraan en het aanhangsel van de lever. Dit brandoffer zal aangenaam zijn voor de HERE. Al het vet is van de HERE.
Dit is een eeuwige wet voor het hele land en alle geslachten. U mag absoluut geen vet of bloed eten."

Lev. 7:11-15
OFFERS VOOR DANKZEGGING. "Dit zijn de voorschriften betreffende de offers die aan de HERE worden gebracht als vredeoffers:
Als het offer als dankoffer is bedoeld, moet men er met olie aangemaakte ongezuurde koeken, met olie bestreken ongezuurde koeken en koeken van doorgeroerd fijn meel, aangemaakt met olie, aan toevoegen. Dit offer moet samen met de koeken van gezuurd brood naast het vredeoffer als dankoffer worden gebracht. Een deel van dit offer zal de HERE worden aangeboden door het heen en weer te bewegen. Daarna zal het aan de priester worden gegeven, die het bloed van het vredeoffer uitsprenkelt. Nadat het dier aan de HERE is geschonken en geofferd als een vredeoffer, waarmee lof en dank aan Hem wordt gebracht, moet het diezelfde dag worden gegeten. Er mag niets blijven liggen tot de volgende dag."

Lev. 7:16-18, 19:5-8
VRIJWILLIGE OFFERS. "Als het gebrachte offer een gelofteoffer of gewoon een vrijwillig offer is, mag het vlees die dag en ook de volgende dag nog worden gegeten. Maar alles wat tot de derde dag blijft liggen, moet worden verbrand. Als op de derde dag toch iets van het offer wordt gegeten, zal het de offeraar kwalijk worden genomen. Wie ervan eet, zal schuldig zijn, want de HERE heeft daar een afkeer van."

Lev. 7:19-21
REINHEID VEREIST. "Vlees dat in aanraking komt met iets dat onrein is, mag niet worden gegeten, maar moet worden verbrand. En voor het vlees dat wel mag worden gegeten, geldt: alleen degene die rein is, mag ervan eten. Iedere priester die onrein is, maar toch van het dankoffer eet, zal uit zijn volk worden verstoten. Het offer is van de HERE en dus heilig. Ieder die iets aanraakt wat onrein is, hetzij van een mens, hetzij van een dier en daarna van het vredeoffer eet, zal uit zijn volk worden verstoten. Hij heeft iets heiligs, dat van de HERE is, onteerd."

Lev. 7:28-36
AANDEEL VOOR PRIESTERS. De HERE sprak opnieuw tegen Mozes: "Zeg de Israëlieten dat ieder die de HERE een dankoffer brengt, het persoonlijk en eigenhandig moet komen brengen. Hij zal het gedeelte van het offer dat bestaat uit het vet en de borst, dat voor de HERE bestemd is, opheffen en het heen en weer bewegen en het zo, staande voor het altaar, aan de HERE aanbieden. Daarna zal de priester het vet op het altaar verbranden, maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn. De rechterschenkel zal aan de gewijde priesters worden afgestaan. Ik heb de borst en de rechterschenkel bestemd als giften van het volk Israël aan de zonen van Aäron. Aäron en zijn zonen moeten altijd dit deel van het offer krijgen.
Het is hun loon! Het moet apart worden gehouden van de brandoffers en aan hen worden gegeven, die de HERE als priester dienen: aan Aäron en zijn zonen. Want op de dag dat de HERE hen inwijdde, droeg Hij het volk Israël op hun deze delen te geven; het is hun eeuwigdurende recht, van generatie op generatie?"

Lev. 17:1-7
MOET BIJ DE TABERNAKEL GEBEUREN. De HERE gaf Mozes de volgende aanvullende voorschriften voor Aäron en de priesters en het gehele volk Israël: "Iedere Israëliet die een os, lam of geit slacht in of buiten het kamp in plaats van het dier bij de ingang van de tabernakel te brengen, is schuldig omdat hij bloed heeft vergoten. Hij zal uit het volk worden verstoten. Het doel van deze wet is de Israëlieten te laten ophouden offers te brengen in het open veld en hen te dwingen hun offers naar de priester te brengen bij de ingang van de tabernakel, zodat deze het als een vredeoffer aan de HERE kan offeren. De priester kan dan het bloed sprenkelen op het altaar van de HERE bij de ingang van de tabernakel en het vet als een aangenaam offer voor de HERE verbranden. De mensen zullen dan niet meer in het veld aan boze geesten offeren en deze daardoor overspelig nalopen. Dit zal een altijd geldende wet voor u zijn, van generatie op generatie."

4. Zondoffers

Wanneer er onopzettelijke zonden worden ontdekt of wanneer bepaalde vereisten onopzettelijk achterwege zijn gelaten, dan moeten bepaalde zondoffers worden gebracht. De zondoffers hebben betrekking op de hogepriester zelf, de hele congregatie, leiders van de congregatie en gewone aanbidders. Het dient opgemerkt te worden dat deze offers aangeven dat onwetendheid onder de wet geen excuus is.

Lev. 4:1-12
VOOR DE PRIESTER. Toen gaf de HERE de volgende opdrachten aan Mozes:

"Vertel het volk Israël dat dit de regels zijn voor hen die onopzettelijk mijn wetten overtreden. Als een priester onopzettelijk iets doet dat de HERE heeft verboden en op die manier schuld over het volk brengt, moet hij een jonge stier, zonder gebreken, offeren als zondoffer aan de HERE. Hij moet de stier naar de ingang van de tabernakel brengen voor het oog van de HERE, zijn hand op de kop van het dier leggen en het daarna voor het oog van de HERE slachten. Dan zal de gezalfde priester een deel van het bloed de tabernakel binnenbrengen, zijn vinger erin dopen en het bloed voor de HERE zevenmaal voor het gordijn van het Heilige der Heiligen op de grond sprenkelen. Dan zal de priester met zijn vinger het bloed aan de horens van het reukofferaltaar strijken, dat onder het oog van de HERE in de tabernakel staat. Het overgebleven bloed zal hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar dat bij de ingang van de tabernakel staat. Dan zal hij al het vet dat de ingewanden bedekt, de beide nieren en het vet dat daaraan zit, het lendevet en het aanhangsel van de lever nemen en alles op het brandofferaltaar verbranden, net zoals dat gebeurt met een rund dat als dankoffer wordt gebracht. De rest van de jonge stier (de huid, het vlees, de kop, de poten, de ingewanden en de mest) zal naar een reine plek buiten het kamp worden gebracht, waar ook de as van het altaar wordt gebracht en zal daar op een houtvuur worden verbrand."

Lev. 4:13-21, Num. 15:22-26
VOOR DE CONGREGATIE. "Als het hele volk Israël zonder opzet heeft gezondigd en iets gedaan heeft wat de HERE heeft verboden, is het hele volk schuldig. Als zij zich bewust worden van wat zij hebben gedaan, moeten zij een jonge stier als zondoffer naar de ingang van de tabernakel brengen. Daar zullen de leiders van het volk hun handen op de kop van de stier leggen en hem voor de ogen van de HERE slachten. De gezalfde priester zal een deel van het bloed de tabernakel binnenbrengen, zijn vinger erin dopen en het zevenmaal op de grond voor het gordijn van het Heilige der Heiligen sprenkelen. Een ander deel van het bloed zal hij met de vinger aan de horens van het altaar strijken, dat in de tabernakel staat. De rest van het bloed zal hij aan de voet van het brandofferaltaar dat bij de ingang van de tabernakel staat, uitgieten. Al het vet van de stier zal worden verwijderd en verbrand op het altaar. Hij zal hetzelfde doen als bij een zondoffer. Zo zal de priester de zonde van het volk verzoenen en deze zal worden vergeven. De rest van de stier zal de priester buiten het kamp brengen en daar verbranden net als bij het zondoffer van een enkeling gebeurt. Deze keer is het echter een zondoffer voor het hele volk."

Lev. 4:22-26
VOOR LEIDERS. "Als één van de leiders van het volk onopzettelijk heeft gezondigd door iets te doen wat de HERE heeft verboden en dus schuldig is, moet hij, zodra hij zich daarvan bewust wordt, een bok zonder lichamelijke gebreken offeren. Hij zal zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten op de plaats waar ook de brandoffers worden geslacht en het de HERE aanbieden als een offer voor zijn zonde. De priester zal met zijn vinger een deel van het bloed aan de horens van het brandofferaltaar strijken en de rest aan de voet van het altaar uitgieten. Al het vet zal op het altaar worden verbrand, net als bij het dankoffer. Zo zal de priester de zonde van de betreffende leider verzoenen en zijn zonde zal hem worden vergeven."

Lev. 4:27-35, Num. 15:27,28
VOOR GEWONE AANBIDDERS. "Als iemand uit het volk zonder het te beseffen heeft gezondigd door iets te doen wat de HERE heeft verboden en hij het zich bewust wordt, moet hij een geit zonder gebreken als offer aan de HERE brengen ter verzoening van zijn zonde. Hij zal zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten op de plaats waar ook de brandoffers worden geslacht. De priester zal een deel van het bloed met zijn vinger aan de horens van het brandofferaltaar strijken. De rest zal hij aan de voet van het altaar uitgieten. Net als bij het dankoffer, zal hij het vet van de geit nemen en het op het altaar verbranden, als een aangenaam offer voor de HERE. Zo zal de priester zijn zonde verzoenen en het zal hem worden vergeven.
Als iemand een schaap als zondoffer brengt, moet hij een vrouwelijk dier zonder gebreken nemen. Hij zal zijn hand op de kop van het dier leggen en het slachten op de plaats waar ook de dieren voor de brandoffers worden geslacht als offer voor zijn zonde. De priester zal een gedeelte van het bloed met zijn vinger aan de horens van het brandofferaltaar strijken. Het overgebleven bloed zal hij aan de voet van het altaar uitgieten. Het vet zal hij er vanaf halen, net als bij het schaap van het dankoffer gebeurt en het op het altaar verbranden als elk ander offer aan de HERE waarbij vuur wordt gebruikt. Op die manier zal de priester de zonde van de man verzoenen en zijn zonde zal hem worden vergeven."

Lev. 5:1-6
DADEN DIE EEN OFFER VEREISEN. "Als iemand getuige is van een misdaad of een vervloeking heeft gehoord en dit niet vertelt, zal hij zelf schuldig zijn.
Ieder die iets onreins aanraakt (zoals het lijk van een wild dier of een stuk vee dat niet mag worden gegeten of het lijk van een onrein kruipend dier) is schuldig, ook al beseft hij niet dat hij het heeft aangeraakt.
Ook als hij de onreinheid van een mens aanraakt, ongeacht de oorzaak van die onreinheid, is hij schuldig zodra hij zich realiseert dat hij het heeft aangeraakt.
Als iemand onbezonnen een eed zweert (ten goede of ten kwade) en hij beseft dat hij dom heeft gehandeld, is hij schuldig. Als hij één van deze zonden heeft begaan, moet hij die zonde belijden en een zondoffer aan de HERE brengen in de vorm van een schaap of een geit. De priester zal zijn schuld verzoenen en hij zal van zijn zonde zijn verlost."

Lev. 5:7-10
VOGELS GEOFFERD DOOR DE ARMEN. "Als hij te arm is om een schaap aan de HERE te offeren, moet hij twee tortelduiven of jonge duiven als zondoffer brengen. De ene duif zal zijn zondoffer zijn, de andere zijn brandoffer. De priester zal de eerste duif die hem wordt gegeven, als zondoffer beschouwen en hem de nek omdraaien, zonder de kop van het lichaam te scheiden. Een deel van het bloed zal hij tegen de zijden van het altaar sprenkelen. De rest zal hij aan de voet van het altaar uitdrukken; dit is een zondoffer. De tweede vogel zal hij als brandoffer behandelen, precies volgens de voorschriften. Zo zal de priester zijn zonde verzoenen en het zal hem worden vergeven."

Lev. 5:11-13
SPIJSOFFER DOOR DE ARMEN. "Als de man te arm is om twee tortelduiven of jonge duiven als zondoffer te brengen, moet hij 2,2 liter fijn meel offeren. Hij mag er geen olie of wierook aan toevoegen, want het is een zondoffer. Hij moet het meel naar de priester brengen en die zal een handvol meel op het altaar verbranden, net als bij andere offers die met vuur aan de HERE worden gebracht. Dit zal zijn zondoffer zijn. Op die manier zal de priester de zonde die hij in één van deze dingen heeft begaan, verzoenen en het zal hem worden vergeven. De rest van het meel zal voor de priester zijn, net als bij het spijsoffer."

Lev. 6:24-30
AANWIJZINGEN VOOR PRIESTERS. Toen sprak de HERE opnieuw tegen Mozes en zei: "Vertel Aäron en zijn zonen dat dit de voorschriften betreffende het zondoffer zijn: Dit offer is allerheiligst en moet voor de ogen van de HERE worden geslacht. De priester die deze offerdienst uitvoert, zal het vlees van het offer in de voorhof van de tabernakel eten. Alleen zij die geheiligd zijn (de priesters) mogen dit vlees aanraken. Alles wat met het vlees in aanraking komt, is geheiligd. Als bloed op de kleren van de priester spat, moet dat kledingstuk op een heilige plaats worden gewassen. De stenen pot waarin het vlees is gekookt, moet worden stukgeslagen. Als het vlees in een koperen pot is gekookt, moet die pot worden geschuurd en met water worden gespoeld. Iedere mannelijke priester mag van dit offer eten; maar alleen zij, want het is allerheiligst. Geen enkel zondoffer echter, waarvan het bloed de tabernakel is binnengebracht om er in het heiligdom verzoening mee te doen, mag worden gegeten. Het moet in zijn geheel voor de HERE worden verbrand."

Num. 15:29
WET VOOR GASTEN. "Hetzelfde geldt voor de buitenlander die bij u woont."

Num. 15:30,31
NIET VOOR OPZETTELIJKE ZONDEN. "Maar iemand die deze overtreding opzettelijk maakt, ongeacht of hij een geboren Israëliet of een buitenlander is, beledigt de HERE en zal worden verstoten uit het volk. Want hij heeft de wet van de HERE veracht en opzettelijk geweigerd deze te gehoorzamen. Hij moet worden gedood en zal op die manier voor zijn zonde boeten."

Download (Het Boek)
Download (Statenvertaling)

De chronologische Bijbel -- februari



Met dank aan Biblica en Harvest House Publishers. Nadruk en reproductie verboden.
Voor meer details, lees alsjeblieft onze copyrightvoorwaarden



Copyright © 2002 - 2019 AllAboutGOD.com, Alle rechten voorbehouden.