29 augustus 

https://www.allaboutgod.com/dutch/jeremias-klaagliederen.htm

29 augustus


Jeremia's klaagliederen

Het zou helemaal niet onredelijk zijn als Jeremia zich zou beroemen op de val van Jeruzalem. Hij was immers een van de weinigen die deze verwoesting voorspelde en hij werd hiervoor krachtig vervolgd. Nu zijn profetieën vervuld zijn, zou het heel natuurlijk zijn als hij zou zeggen: “Had ik het niet gezegd!” Maar dat zou niet overeenstemmen met Jeremia's karakter. Net als de God die hij dient, is Jeremia bedroefd over het verlies van Jeruzalem en het uiteenslaan van Gods volk. Hij is tegelijkertijd boos en verdrietig. Hij is boos op de priesters en de profeten, wier zonden deze verwoesting noodzakelijk maakten. Hij is boos op de volken die Juda rechtstreeks hebben overrompeld en op de volken die haar niet te hulp zijn gekomen. Maar Jeremia is vooral verdrietig. Deze wenende profeet, die zich zo vaak heeft beklaagd over zijn eigen lijden, schreit nu om het lijden van zijn landgenoten.
Hoewel het auteurschap niet specifiek wordt gemeld, lijkt het zeer waarschijnlijk dat Jeremia de schrijver is van het boek dat bekendstaat als Klaagliederen. Het gedicht verwoordt de vele gemengde gevoelens die deze vermoeide en ouder wordende man van God moet hebben. Soms spreekt hij vanuit persoonlijk oogpunt over zijn eigen lijden en vervolgingen; soms is hij een stem voor het hele volk wanneer hij spreekt over de collectieve gevoelens van afgrijzen, verdriet en verwarring, maar ook hoop. Dit prachtige klaaglied is tot op de dag van vandaag zó aangrijpend dat het door de nakomelingen van deze Joden nog steeds elk jaar wordt voorgelezen tijdens de herdenking van de vernietiging van de tempel. Alleen al vanuit literair standpunt is het gedicht klassiek te noemen. Maar nog belangrijker is dat het een van de krachtigste en ontroerendste uitdrukkingen van menselijke gevoelens is die ooit beschreven zijn, verder draagt het een tijdloze boodschap met zich mee die alleen maar subliem kan worden genoemd.

Klaag. 1:1-6 (586 v.C.)
  De straten van Jeruzalem,
  eens vol met mensen,
  liggen er nu verlaten bij.
  Als een verdrietige weduwe
  zit zij daar eenzaam neer. Zij treurt.
  Die eens de koningin van de volken was,
  is nu een slavin.

  Zij huilt de hele nacht,
  de tranen stromen over haar wangen.
  Geen van al haar geliefden
  is er om te helpen.
  Die eens haar vrienden waren,
  hebben haar nu verraden
  en zijn vijanden geworden.

  Waarom is Juda weggevoerd als een slaaf?
  Om al het kwaad dat het anderen berokkende,
  omdat het hen tot slaven maakte.
  Nu is Juda ver hier vandaan in ballingschap.
  Het heeft geen rust,
  want degenen die Juda eens vervolgde,
  hebben zich omgedraaid en haar verslagen.

  De wegen naar Jeruzalem liggen er treurig bij.
  Zij zijn niet langer gevuld met blijde drommen mensen,
  op weg om de tempelfeesten te vieren;
  de stadspoorten zijn uitgestorven;
  haar priesters klagen
  en haar jonge meisjes zijn weggesleept.
  Zij huilt bitter.

  Het gaat haar vijanden voor de wind,
  want de Here heeft Jeruzalem gestraft
  voor haar vele zonden;
  haar jonge kinderen zijn gevangen genomen
  en als slaven weggevoerd naar een ver land.

  Al haar schoonheid en luister zijn verdwenen.
  Haar vorsten zoeken als hongerige herten naar gras;
  als hulpeloze dieren,
  te zwak om te blijven vluchten voor hun achtervolgers.

Klaag. 1:7-11
  En op het dieptepunt van Jeruzalems ellende
  denkt zij terug aan de goede, oude tijd.
  Zij denkt aan alle fijne en blijde gebeurtenissen,
  die zij meemaakte voordat die haatdragende vijand haar neersloeg;
  en er was niemand die haar te hulp kon komen.

  Jeruzalem heeft zwaar gezondigd;
  daarom is zij tot een bespotting geworden.
  Allen die haar eens vereerden, verachten haar nu,
  want zij hebben gezien hoe zij werkelijk was
  en hoe zij werd vernederd.
  Zij schaamt zich diep
  en verbergt haar gezicht.

  Zelfs de zoom van haar kleding is bevuild
  en zij weigert onder ogen te zien dat de straf zeker niet zal uitblijven.
  Nu ligt zij in de goot
  en niemand helpt haar eruit.
  "Och HERE", roept zij, "kijk toch hoe ik lijd.
  De vijand heeft mij overwonnen."

  Haar vijanden hebben haar leeggeplunderd
  en al haar waardevolle bezittingen meegenomen.
  Zij moest toezien hoe vreemde volken
  haar heilige tempel onteerden;
  buitenlanders die U zelfs had verboden
  er binnen te komen.

  Haar inwoners jammeren
  en zoeken naar brood;
  zij hebben al hun bezittingen verkocht om eten te kopen
  en zo tenminste nog in leven te blijven.
  "HERE", bidt zij,
  "kijk eens hoe ik word veracht."

Klaag. 1:12-17
  Betekent dit niets voor u die hier voorbij komt?
  Kijk om u heen en beoordeel
  of u ooit eerder zo'n verdriet heeft gezien als bij mij.
  Dit alles heeft de HERE mij aangedaan
  op de dag van Zijn vlammende toorn.

  Hij stuurde vanuit de hemel vuur,
  dat in mijn beenderen brandt.
  Hij zette een valstrik op mijn pad
  zodat ik verschrikt terugdeinsde.
  Hij heeft mij ziek en eenzaam laten worden.

  Hij weefde mijn zonden tot een touw,
  waarmee Hij het slavenjuk op mijn nek vastmaakte.
  Hij ontnam mij mijn kracht
  en leverde mij over aan mijn vijanden;
  ik ben hulpeloos in hun handen.

  De HERE heeft al mijn machtige mannen vertrapt.
  Op Zijn bevel kwam een groot leger opzetten
  om de jongeren te vernietigen.
  De HERE heeft Zijn geliefde stad vertrapt,
  zoals men druiven in een wijnpers vertrapt.

  Om al deze dingen moet ik huilen;
  de tranen stromen langs mijn wangen.
  Mijn trooster is ver weg
  en Hij is de enige die mij zou kunnen helpen.
  Mijn kinderen hebben geen toekomst,
  want vijanden overheersen ons.

  Jeruzalem smeekt om hulp,
  maar niemand biedt troost.
  Want de HERE heeft gezegd
  dat haar buren haar vijanden zouden worden!
  En dat zij als een onreine
  temidden van de volken zou worden!

Klaag. 1:18-22
  De HERE heeft gelijk,
  want wij zijn tegen Hem in opstand gekomen.
  Maar toch, volken rondom,
  luister en kijk naar mijn vertwijfeling en angst,
  want mijn zonen en dochters zijn als slaven
  weggevoerd naar verre landen.

  Ik smeekte mijn bondgenoten mij te helpen.
  Maar ook dat was valse hoop.
  Zij konden op geen enkele manier helpen.
  Ook mijn priesters en leiders konden niet helpen;
  zij stierven van honger,
  terwijl zij in de vuilnishopen op straat naar brood zochten.

  Och HERE, kijk toch naar mijn wanhoop;
  mijn hart is gebroken
  en mijn ziel krimpt ineen van angst,
  want ik ben vreselijk opstandig geweest.
  In de straten wacht het zwaard mij op;
  thuis word ik bedreigd door honger en ziekten.

  Mensen horen mijn jammerklachten wel,
  maar niemand kan mij troosten.
  Al mijn vijanden zien hoe ik lijd
  en zij genieten ervan.
  En toch zal er eens een tijd komen (want U hebt dat beloofd)
  dat U met hen hetzelfde zult doen als U met mij hebt gedaan.

  Kijk ook naar hun zonden
  en geef hun dezelfde straf als U mij gaf.
  Ik kan alleen maar zuchten
  en mijn hart doet pijn.

Klaag. 2:1-10
  Met een wolk van toorn
  heeft de Here Jeruzalem overschaduwd.
  De prachtigste stad van Israël ligt in het stof van de aarde
  en is op Zijn bevel uit de hemelse hoogten neergeworpen.

  Op de dag van Zijn vreselijke toorn
  kende Hij zelfs geen genade voor Zijn tempel.

  Zonder enig medelijden heeft de Here
  elk huis in Israël verwoest.
  In Zijn toorn heeft Hij
  alle versterkte muren van Jeruzalem omvergeworpen.
  Hij heeft het koninkrijk in het stof vernederd,
  samen met al zijn heersers.

  Alle kracht van Israël verdwijnt
  als sneeuw voor de zon onder Zijn toorn.
  Toen de vijand aanviel,
  trok Hij Zijn beschermende hand terug.
  Als een storm van vuur
  raasde God door het land Israël.

  Hij spande Zijn boog tegen Zijn volk
  alsof het Zijn vijand was.
  Allen die er jong en aantrekkelijk uitzagen, doodde Hij.
  Zijn vreselijke toorn is als vuur over hen uitgegoten.

  Ja, de Here heeft Israël verslagen als een vijand.
  Haar forten en paleizen heeft Hij verwoest.
  Hij bezorgt Jeruzalem
  kwellende zorgen en tranen.

  De HERE heeft Zijn tempel omvergegooid
  alsof het een hut van bladeren en takken was!
  Het volk kan daardoor de heilige feesten
  en sabbatten niet meer vieren.
  Koningen en priesters
  zijn het slachtoffer van Zijn toorn.

  De Here heeft Zijn eigen altaar afgewezen,
  omdat Hij een afkeer heeft van de valse verering door Zijn volk.
  Hij heeft hun paleizen aan hun vijanden gegeven,
  die nu in de tempel hun overwinningskreet laten horen.
  Vroeger kon men daar de geluiden horen van het volk Israël
  tijdens de heilige feesten.

  De HERE besloot Jeruzalem te verwoesten.
  Hij trok een lijn voor de vernietiging,
  waaraan niet meer was te ontkomen.
  Zo vielen de stadsmuren
  en wallen voor Hem neer.

  Jeruzalems poorten zijn in elkaar gezakt.
  Hun sloten en grendels zijn vernield door de HERE.
  Haar koningen en prinsen zijn nu slaven in verre landen,
  zonder een tempel en zonder de heilige wet die over hen regeert.
  En er zijn ook geen profeten meer,
  die hun leiding kunnen geven.

  De leiders van Jeruzalem dragen rouwkleding
  en zitten zwijgend op de grond.
  Zij gooien stof op hun hoofd,
  vertwijfeld en bedroefd als zij zijn.
  De jonge vrouwen van Jeruzalem
  laten beschaamd hun hoofd hangen.

Klaag. 2:11-17
  Ik heb gehuild tot er geen tranen meer waren;
  mijn hart is gebroken
  en mijn geest uitgeput
  als ik zie wat er met mijn volk is gebeurd;
  babies en kleine kinderen vallen neer in de straten
  en sterven.

  "Mamma, mamma, wij willen eten", roepen zij
  en zakken in elkaar
  tegen de verschrompelde borsten van hun moeder.
  Langzaam vloeit het leven uit hen weg.

  Is er ooit op de wereld zo geleden?
  Och Jeruzalem, waarmee kan ik uw vertwijfeling vergelijken?
  Hoe kan ik u troosten?
  Want uw wond is zo diep als de zee.
  Wie kan u genezen?

  Uw 'profeten' hebben zoveel onwaarheden verkondigd,
  zoveel onzin.
  Zij hebben niet geprobeerd u van de slavernij te redden
  door u op uw zonden te wijzen.
  Zij logen
  en zeiden dat alles in orde was.

  Ieder die voorbijkomt,
  schudt spottend het hoofd
  en zegt: "Is dit de stad
  die voor de mooiste stad ter wereld moet doorgaan,
  die 'Vreugde van de hele aarde' wordt genoemd?"

  Uw vijanden lachen u honend uit.
  Zij fluiten en knarsen met hun tanden
  en zeggen: "Uiteindelijk hebben we haar dan toch eronder gekregen!
  Op dit moment hebben we lang gewacht en nu is het dan zover!
  Met onze eigen ogen hebben wij haar nederlaag gezien."

  Maar de HERE heeft dit gedaan.
  Precies zoals Hij ons waarschuwend had voorzegd.
  De vervloekingen die Hij ons lang geleden in het vooruitzicht stelde,
  heeft Hij nú uitgevoerd.
  Hij heeft Jeruzalem meedogenloos verwoest,
  zodat haar vijanden nu feestvieren
  en brallen over hun grote kracht.

Klaag. 2:18-22
  Vanuit het diepst van hun hart
  roepen de mensen de Here om hulp.
  Och muren van Jeruzalem,
  laat uw tranen stromen als een rivier;
  gun uzelf geen rust
  en huil dag en nacht.

  Sta 's nachts op
  en roep naar uw God.
  Stort uw hart als water uit voor de Here;
  hef uw handen naar Hem op
  en pleit voor uw kinderen,
  die in de straten neervallen van de honger.

  Och HERE, denk toch aan ons!
  Dit is Uw eigen volk, aan wie U zulke dingen aandoet.
  Moeten moeders soms hun eigen kleine kinderen opeten,
  die zij eens op schoot hielden?
  Is het nodig dat priesters en profeten sterven
  in de tempel van de HERE?

  Kijk hen eens liggen in de straten:
  oud en jong,
  jongens en meisjes,
  gedood door het zwaard van de vijand.
  U hebt hen in Uw toorn gedood, HERE;
  U hebt hen meedogenloos afgemaakt.

  U hebt deze verwoesting opzettelijk laten plaatsvinden;
  op de dag van Uw toorn was er niemand,
  die ontsnapte of achterbleef.
  Mijn kinderen, voor wie ik altijd goed heb gezorgd,
  worden nu onder de voeten van de vijand vertrapt.

Download (Het Boek)
Download (Statenvertaling)

De chronologische Bijbel -- augustus



Met dank aan Biblica en Harvest House Publishers. Nadruk en reproductie verboden.
Voor meer details, lees alsjeblieft onze copyrightvoorwaarden



Copyright © 2002 - 2019 AllAboutGOD.com, Alle rechten voorbehouden.