24 december 

https://www.allaboutgod.com/dutch/brief-aan-de-hebreeen-2.htm

24 december



Christus superieur aan het priesterschap

Heb. 6:13-20
OFFERGAVE VAN CHRISTUS. Toen God aan Abraham een belofte deed, zwoer Hij bij Zijn eigen naam, omdat er niemand hoger is dan Hijzelf voor wie Hij een eed kan afleggen. "Abraham", zei Hij, "Ik zal u telkens weer zegenen. Ik zal u een zoon geven en u stamvader van een groot volk maken." Abraham bleef geduldig wachten tot God hem een zoon gaf, zoals Hij had beloofd.
Als iemand een eed aflegt, doet hij dat bij een hogere persoon dan hijzelf. Een eed is het einde van alle tegenspraak. God heeft ook een eed afgelegd om duidelijk te maken dat Hij niet anders kan dan Zijn woord houden; Hij wilde dat de mensen aan wie Hij de belofte deed, niet zouden twijfelen. Omdat God een belofte heeft gedaan én een eed heeft afgelegd, valt er aan Zijn woorden niet te twijfelen. Daarbij is het uitgesloten dat Hij zou liegen. Dat geeft moed en hoop aan ieder die naar Hem vlucht om gered te worden. De zekerheid dat wij gered zullen worden, is een sterk en betrouwbaar anker voor ons leven. Daardoor zijn wij verbonden met God Zelf, achter het gordijn van de hemelse tempel. Jezus is daar vóór ons binnengegaan om voor ons te pleiten. Hij is voor altijd hogepriester geworden, op dezelfde wijze als Melchizédek.

Heb. 7:1-3
EEN PRIESTER ALS MELCHIZEDEK. Deze Melchizédek was koning van Salem en priester van de Allerhoogste God. Toen Abraham, na de overwinning op vele koningen, naar huis terugkeerde, ontmoette hij Melchizédek en werd door hem gezegend. Daarop gaf Abraham een tiende deel van alles wat hij in de strijd had buitgemaakt aan Melchizédek. De naam Melchizédek betekent 'Koning van de gerechtigheid'. Hij is ook koning van de vrede, want Salem betekent 'vrede'. Hij had geen vader en moeder en ook geen voorouders. Hij is nooit geboren en nooit gestorven; zijn leven is gelijk aan dat van de Zoon van God; hij is en blijft priester voor altijd.

Heb. 7:4-10
MELCHIZEDEKS SUPERIORITEIT. Uit het volgende blijkt wel hoe groot deze Melchizédek is. Zelfs Abraham, de eerste voorvader van Gods volk, gaf hem een tiende deel van alles wat hij in de strijd tegen de koningen had buitgemaakt. Als Melchizédek een priester van Israël was geweest, zou dit niet zo vreemd zijn; want later moest Gods volk een tiende van zijn inkomsten geven aan de priesters, die tot hun eigen volk behoorden. Maar Melchizédek was een vreemde en toch gaf Abraham hem een tiende van de buit. Melchizédek zegende de machtige Abraham; het is duidelijk dat een zegen alleen gegeven wordt door iemand die groter is dan degene die gezegend wordt. Hoewel de priesters van Israël eens zouden sterven, kregen zij toch een tiende van wat de mensen oogstten of verdienden; maar wij lezen dat Melchizédek altijd blijft leven. Wij zouden zelfs kunnen zeggen dat Levi, de stamvader van alle priesters, in de persoon van Abraham een tiende deel van de buit aan Melchizédek gaf. Want al was Levi toen nog niet geboren; het zaad waaruit hij is voortgekomen, was in Abraham toen die het tiende deel van de buit aan Melchizédek gaf.

Heb. 7:11-19
PRIESTERSCHAP VAN CHRISTUS. Als wij door de Levitische priesters en hun wetten gered hadden kunnen worden, waarom moest God dan Christus sturen? Een priester als Melchizédek en niet als Levi, Aäron en de andere priesters? Immers als God een nieuw soort priester stuurt, moet Zijn wet daarvoor veranderd worden. Wij weten allemaal dat Christus niet bij de priesterstam van Levi hoort, maar bij de stam van Juda; en Mozes heeft niet gezegd dat de mannen van díe stam priester moesten zijn. Het is dus duidelijk dat God een andere weg is ingeslagen. Christus, de nieuwe hogepriester van dezelfde rang als Melchizédek, is niet priester geworden omdat Hij voldeed aan de wettige eis van Levi af te stammen, maar omdat Hij een leven heeft dat niet kan eindigen. In een van de Psalmen wordt daar al op gewezen.

  "U bent voor altijd priester
  zoals Melchizédek", staat er.

Het oude systeem, waarin men priester werd omdat men tot een bepaalde stam behoorde, is opgeheven omdat het niet werkte. De mensen konden daardoor niet gered worden. Daardoor lukte het niemand om recht voor God te staan. Maar nu hebben wij een veel betere hoop, want Christus maakt het voor ons met God in orde, zodat wij bij Hem mogen komen.

Heb. 7:20-22
GARANTIE VAN VERBOND. God zwoer dat Christus altijd priester zou zijn, wat Hij nooit van andere priesters heeft gezegd. Alleen tegen Christus zei Hij:

  "De Here heeft een eed afgelegd
  en zal er nooit van terugkomen:
  U bent priester voor altijd."

Daarom werd Jezus Christus het onderpand van dit nieuwe, betere verbond.

Heb. 7:23-25
CHRISTUS IS EEN PERMANENTE PRIESTER. Onder het oude verbond moesten er heel veel priesters zijn. Als een oude priester stierf, nam een jongere zijn taak over. Maar Jezus leeft voor altijd en blijft voorgoed priester, zodat er niemand anders nodig is. Hij kan iedereen die door Hem naar God gaat, van de ondergang redden. Omdat Hij altijd zal blijven leven, zal Hij er altijd zijn om onze belangen bij God te behartigen.

Heb. 7:26-28
CHRISTUS IS EEN PERFECTE PRIESTER. Daarom is Hij precies de hogepriester die wij nodig hebben: Hij is heilig, onberispelijk en onbesmet; Hij is van de zondaars afgezonderd en heeft de hoogste plaats in de hemelen gekregen. Gewone hogepriesters hebben elke dag het bloed van offerdieren nodig om hun eigen zonden en die van het volk te bedekken. Maar Jezus Christus heeft eens en voorgoed alle zonden uitgewist toen Hij Zichzelf offerde aan het kruis. Onder het oude verbond zondigden zelfs de hogepriesters, die ook maar zwakke en zondige mensen waren. Maar later legde God de eed af dat Zijn Zoon, Die voor altijd volmaakt is, voortaan hogepriester zou zijn.

Superioriteit van Christus' verbond en offergave

Heb. 8:1-5
TABERNAKEL ALS MODEL. Wat wij nog eens willen zeggen, komt eigenlijk hierop neer: Christus is onze hogepriester en Hij zit aan de rechterhand van God op de troon in de hemelen. Hij dient God in het hemelse heiligdom; in de ware tempel, die door de Here en niet door mensen gebouwd is.
Zoals elke priester is aangewezen om gaven en offers te brengen, zo moest ook Christus een offer brengen. Overigens, als Hij nog op aarde was, zou Hij niet eens priester zijn, omdat er al priesters zijn die offers brengen volgens de Joodse wet. Zij doen hun werk in een aards model van het echte heiligdom in de tempel; want toen Mozes de heilige tent zou maken, zei God tegen hem dat hij die precies zo moest maken als het model dat God hem op de berg had laten zien.

Heb. 8:6,7
VERBOND VAN CHRISTUS IS GROTER. Maar Christus, de hemelse priester, heeft een veel belangrijker taak gekregen dan de priesters van Israël. Hij heeft ervoor gezorgd dat God een nieuw verbond met de mensen sloot; een verbond dat op betere beloften steunt. Aan het oude verbond mankeerde nogal wat.
Als dat anders was geweest, zou er geen nieuw voor in de plaats gekomen zijn.

Heb. 8:8-13
VERBOND MOEST VERVANGEN WORDEN. Maar God was er Zelf ook niet tevreden over, want Hij zei:

  "Er komt een tijd
  dat Ik een nieuw verbond
  met het volk van Israël
  en het volk van Juda zal sluiten.
  Het zal een ander verbond zijn
  dan dat Ik met hun voorouders sloot
  op de dag dat Ik hen uit Egypte leidde;
  die hielden zich niet aan het verbond,
  zodat Ik hun de rug heb toegekeerd.

  Dit is het nieuwe verbond dat Ik met het volk van Israël sluit:
  Ik zal mijn wetten in hun gedachten schrijven
  en in hun hart.
  Ik zal hun God zijn
  en zij zullen mijn volk zijn.
  Niemand zal tegen zijn vriend,
  broer of buurman hoeven te zeggen: 'Jij moet de Here ook leren kennen',
  want van klein tot groot
  zal iedereen Mij kennen.
  Ik zal hun overtredingen vergeven
  en niet meer aan hun zonden denken."

Als God het over een nieuw verbond heeft, wil Hij daarmee zeggen dat de eerste verouderd is. En alles wat oud en versleten is, wordt vroeg of laat afgedankt.

Heb. 9:1-5
TABERNAKEL VAN HET OUDE VERBOND. Bij het eerste verbond gaf God de mensen regels, waaraan zij zich moesten houden als zij Hem dienden in de heilige tent, de Tabernakel. Deze tent werd in tweeën verdeeld. In het eerste deel kwamen de kandelaar en de tafel met de heilige broden te staan. Dat deel heette het 'Heilige'. Dan hing er een zwaar gordijn en daarachter was het 'Allerheiligste'. Daar stonden het gouden wierookaltaar en de ark van het verbond. De ark was aan alle kanten met goud bedekt. In de ark lagen de stenen plaquettes waarop de wetten stonden, een gouden pot met manna en de staf van Aäron die gebloeid had. Over het deksel van de ark spreidden de schitterende cherubs hun vleugels uit. Dat gouden deksel was de plaats waar men God om vergeving vroeg. Maar daar zullen we nu niet verder op ingaan.

Heb. 9:6-10
OFFERGAVEN SLECHTS TIJDELIJK. Toen alles klaar was, gingen de priesters het voorste deel zo vaak binnen als voor hun werk nodig was. Maar in het achterste deel mocht alleen de hogepriester komen en dan nog maar één keer per jaar. Hij moest bloed meenemen en dat op het gouden deksel van de ark sprenkelen om daarmee zijn eigen zonden en die van het hele volk voor God te bedekken. De Heilige Geest wilde daarmee duidelijk maken dat men niet in het Allerheiligste kon komen, zolang het voorste deel van de tent en alles wat ermee te maken had, nog bestond. Hieruit kunnen wij een belangrijke les leren. Ook al werden al deze gaven en offers gebracht, ze konden het geweten van de mensen toch niet zuiveren. Het ging alleen om bepaalde gebruiken: Wat men wel en niet mocht eten en drinken, waarom en hoe men zich moest wassen. De mensen moesten zich eraan houden zolang Christus nog niet met Gods nieuwe, betere verbond was gekomen.

Heb. 9:11-14
CHRISTUS IS PERFECTE OFFERGAVE. Christus kwam als hogepriester van het nieuwe verbond dat wij nu hebben. Hij is de grotere en meer volmaakte tent in de hemel binnengegaan, die niet door mensen is gemaakt en niet tot deze wereld behoort. Eens en voor altijd ging Hij met bloed het Allerheiligste binnen en sprenkelde het op de plaats waar de zonden worden vergeven. Maar dat was niet het bloed van bokken en kalveren; nee, het was Zijn eigen bloed. En daarmee heeft Hij ons voor eeuwig van de zonde bevrijd. Als het bloed van bokken en stieren en de as van jonge koeien van zonden konden reinigen, hoeveel te meer zal dan het bloed van Christus ons hart en leven veranderen. Hij, Die Zelf zonder zonden is, heeft door de hulp van de eeuwige Geest Zich gewillig aan God overgegeven om voor onze zonden te sterven. Daardoor kunnen wij met een gerust hart de levende God dienen.

Heb. 9:15-22
DOOD IS BEKRACHTIGING VAN VERBOND. Hij heeft ervoor gezorgd dat er een nieuw verbond kwam, zodat iedereen mag komen om te genieten van de rijkdom die God beloofd heeft. Christus is gestorven om hen te redden van de straf, die zij verdienden door de zonden die zij onder het oude verbond hadden gedaan.
Met dit verbond, dat God met ons heeft gesloten, is het net als met een testament; er moet eerst iemand sterven, voordat het van kracht wordt. Met een testament is pas iets te beginnen als de man of vrouw die het gemaakt heeft, gestorven is. Want zolang die leeft, mag niemand een beroep op dat testament doen. Daarom werd het eerste verbond tussen God en Zijn volk pas van kracht nadat het met bloed was ingewijd. Want toen Mozes het volk al Gods wetten had voorgelezen, nam Hij bloed van kalveren en bokken en sprenkelde dat met water, rode wol en hysop over de stenen plaquettes en het hele volk; "Met dit bloed wordt het verbond tussen God en u bevestigd", zei hij. Op dezelfde manier sprenkelde hij bloed op de heilige tent en op alle toebehoren, dat werd gebruikt voor de eredienst. Wij mogen wel zeggen dat onder het oude verbond vrijwel alles door bloed gereinigd werd. Als er geen bloed vloeit, worden de zonden niet vergeven.

Heb. 9:23-28
ALLERHEILIGSTE SLECHTS EENMAAL BINNENGEGAAN. Daarom moest Mozes alles wat hij naar het hemelse voorbeeld had gemaakt (de heilige tent en alles wat er in was) reinigen door het bloed van dieren. Maar de werkelijke dingen in de hemelen worden door veel betere offers gereinigd. Christus is het heiligdom binnengegaan om in onze plaats voor God te verschijnen. Hij deed dat niet in het heiligdom dat door mensen was gemaakt, want dat was slechts een afbeelding van het werkelijke heiligdom in de hemel. Hij heeft Zich ook niet telkens weer geofferd, zoals de hogepriester, die elk jaar weer het Allerheiligste moest binnengaan om dierlijk bloed te offeren. Als dat nodig was geweest, had Hij vanaf het begin van de wereld telkens weer moeten lijden en sterven. Maar nu, tegen het einde van de eeuwen, is Hij eens en voor altijd gekomen om voor ons te sterven en de zonde weg te doen. Zo zeker als alle mensen eenmaal sterven en daarna beoordeeld worden, zo zeker zal Christus (nu Hij gestorven is om de zonden van vele mensen weg te nemen) zonder zonde terugkomen. Hij zal komen om ieder te redden, die verlangend naar Hem uitziet.

Heb. 10:1-4
OFFERGAVEN WAREN INEFFECTIEF. De Joodse wet gaf maar een versluierd beeld van de geweldige dingen, die Christus voor ons zou doen. Jaar in jaar uit werden telkens weer dezelfde offers gebracht, maar toch konden de mensen onder dat oude verbond daardoor niet gered worden. Als dat wel had gekund, zou één offer genoeg zijn geweest; dan zouden de gelovigen eens en voor altijd gereinigd zijn en zouden zij geen besef van schuld meer hebben. Maar wat er gebeurde, was precies het tegenovergestelde. In plaats van hen van zonden te bevrijden, herinnerden die jaarlijkse offers hun aan hun ongehoorzaamheid en schuld. Want het bloed van stieren en bokken kan nooit voorgoed met de zonden afrekenen.

Heb. 10:5-10
CHRISTUS IS VERVANGING VAN OFFERGAVEN. Daarom heeft Christus, toen Hij in de wereld kwam, gezegd:

  "O God, het bloed van stieren en bokken kan U niet tevreden stellen.
  Daarom hebt U Mij dit lichaam gegeven
  om het als een offer op Uw altaar te leggen.
  U was niet tevreden met de dierlijke offers,
  die voor U geslacht en verbrand werden om de zonden weg te doen.
  Toen zei Ik: 'Hier ben Ik om Uw wil te doen,
  om mijn leven neer te leggen,
  zoals in de Boeken staat."

Nadat Christus had gezegd dat God niet tevreden was met de verschillende offers en gaven, die onder het oude verbond vereist waren, voegde Hij eraan toe: "Hier ben Ik; Ik ben gekomen om Uw wil te doen en mijn leven te geven." Hij vervangt het oude verbond door een nieuw en beter verbond. Door te doen wat God van Hem vroeg en eens en voor altijd voor ons te sterven, heeft Christus onze zonden vergeven en ons gereinigd.

Heb. 10:11-14
CHRISTUS IS ZOWEL PRIESTER ALS OFFERGAVE. De gewone priesters waren dag in, dag uit in de tempel bezig en brachten telkens dezelfde soort offers, die de zonden niet konden wegnemen. Maar nadat Christus Zichzelf voor onze zonden aan God had gegeven als een offer voor alle tijden, ging Hij aan Gods rechterhand zitten. Daar wacht Hij tot alle vijanden zijn onderworpen. Door dat ene offer heeft Hij allen die voor God zijn afgezonderd voor altijd volmaakt gemaakt.

Heb. 10:15-18
GROTE OFFERGAVE VOORSPELD. De Heilige Geest heeft ook gezegd dat dit zo was.

  "Het volk van Israël heeft zich niet aan het verbond gehouden", zei Hij,
  "maar Ik zal een nieuw verbond met hen sluiten:
  Ik zal mijn wetten in hun gedachten leggen
  en in hun hart schrijven."

En Hij voegde eraan toe:

  "Ik zal nooit meer aan hun zonden denken."

Als de zonden vergeven en vergeten zijn, is er geen offer meer nodig.

Download (Het Boek)
Download (Statenvertaling)

De chronologische Bijbel -- december



Met dank aan Biblica en Harvest House Publishers. Nadruk en reproductie verboden.
Voor meer details, lees alsjeblieft onze copyrightvoorwaarden



Copyright © 2002 - 2019 AllAboutGOD.com, Alle rechten voorbehouden.