16 juni


De prediking van Jona tegen Ninevé

Tijdens de regeringsperiode van Jerobeam II, ergens rond 780-775 voor Christus, vinden we een van de interessantste bedieningen die ooit zijn beschreven. God kiest een man genaamd Jona uit het zuiden van Galilea om een bijzondere oproep tot berouw over te brengen aan de heidense Assyriërs die in het grote stedelijke gebied van Ninevé wonen. Ninevé is een van de oudste grote steden; de stad werd in het tijdperk van de patriarchen door de grote strijder Nimrod opgericht. Ninevé bevindt zich ten oosten van de rivier de Tigris en is de koninklijke zetel van de Assyrische koningen. Jona's missie vindt plaats tussen de heerschappijen van Salmanéser III (860-824 v.C.) en Tiglath-Pileser III (745-727 v.C.), tijdens de heerschappij van een minder bekende koning.
De onwaarschijnlijkheid van Jona's missie, vanuit menselijk oogpunt, wordt onderstreept door de pogingen van Jona om zijn bijzondere verantwoordelijkheid te ontlopen. Hij wordt opgeslokt door een grote vis, die door God voor deze gelegenheid op miraculeuze wijze ten tonele wordt gevoerd. Jona raakt hierdoor overtuigd van Gods onbegrensde macht en hij bezorgt daarom de boodschap aan Ninevé. De boodschap luidt dat de stad spoedig zal worden vernietigd tenzij de inwoners tot inkeer komen. Tot zijn verbazing, en zelfs teleurstelling, komen de inwoners van Ninevé inderdaad tot inkeer en worden zij gered van de dreigende ondergang.
Alles bij elkaar genomen is dit verslag een verbazingwekkend vertoon van Gods universele genade en Zijn Goddelijke bekommering om de mens, en dat in een tijd waarin Israël nogal exclusivistisch is. Maar ook al is Israël Gods gekozen volk, toch heeft het een enorme behoefte eraan herinnerd te worden dat hun gebrek aan berouw hen tot een geestelijk niveau heeft gevoerd dat zelfs lager is dan dat van berouwvolle heidenen.

Jona 1:1,2
GOD ROEPT JONA. De HERE zei tegen Jona, de zoon van Amittai: Ga naar de grote stad Ninevé en geef haar inwoners namens Mij de volgende boodschap: "De HERE zegt: 'Ik waarschuw u, want Ik kan uw slechtheid niet meer verdragen!"

Jona 1:3
JONA RENT WEG. Maar Jona wilde niet. Hij ging naar de havenstad Jaffa waar hij een schip vond met de stad Tarsis als bestemming. Hij betaalde voor zijn passage, ging aan boord en klom naar beneden in het donkere ruim van het schip om zich te verbergen voor de HERE.

Jona 1:4-16
IN ZEE GEWORPEN. Terwijl het schip voortzeilde, joeg de HERE echter een harde wind over de zee. Er ontstond een storm waardoor het schip dreigde te vergaan. In hun doodsangst riepen de bemanningsleden hun goden te hulp en gooiden de lading overboord om het schip lichter te maken.
Terwijl dit gebeurde, lag Jona te slapen in het scheepsruim. De kapitein van het schip kwam naar beneden, wekte hem en zei: "Ligt u op een moment als dit te slapen? Vooruit, sta op. Roep uw god te hulp. Misschien zal hij genadig zijn en ons leven redden!"
De bemanning overlegde en besloot te loten om erachter te komen wie de goden had beledigd en dus de schuld had van deze verschrikkelijke storm. Jona bleek de schuldige te zijn.
"Wat hebt u uitgehaald", vroegen zij hem, "dat wij in deze vreselijke storm terechtkomen? Wie bent u? Wat doet u hier? Uit welk land komt u?"
Hij zei: "Ik ben een Jood en ik geloof in de Eeuwige, de God van de hemel, Die de hemel, de aarde en de zee heeft gemaakt."
Daarna vertelde hij hun, dat hij op de vlucht was voor de HERE. De angst sloeg de mannen om het hart toen zij dat hoorden. "Waarom hebt u dat gedaan?", riepen zij.
"Wat moeten wij met u doen om een eind te maken aan deze storm?" Want de zee werd steeds dreigender.
"Gooi mij maar overboord", zei hij, "dan zal de zee weer tot rust komen. Want ik weet dat deze storm míjn schuld is."
Zij spanden zich nog meer in om het schip naar de wal te roeien, maar het lukte niet. Zij konden niet tegen de storm op. Toen schreeuwden zij in gebed tot de HERE: "HERE", smeekten zij, "laat ons toch niet sterven om de zonde van deze man en stel ons niet verantwoordelijk voor zijn dood, want het is niet onze schuld; U hebt naar Uw eigen inzicht gehandeld." Toen pakten zij Jona en gooiden hem overboord in het woest kolkende water; en de storm ging liggen! De mannen werden vervuld met een diep ontzag voor de HERE; zij brachten Hem offers en zwoeren Hem te zullen dienen.

Jona 1:17
DOOR VIS OPGESLOKT. De HERE had echter gezorgd voor een grote vis, die Jona inslikte. Jona bleef drie dagen en drie nachten in die vis.

Jona 2:1-9
JONA'S GEBED. Vanuit de vis bad Jona toen tot de HERE en zei:

  "In mijn grote moeilijkheden riep ik de HERE
  en Hij antwoordde mij;
  ik riep vanuit de diepten van de dood
  en U hoorde mij, HERE!
  U wierp mij in de diepe zee;
  ik ging onder in het kolkende water
  en werd bedekt door Uw wilde en woeste golven.
  Toen zei ik: 'Och HERE,
  U hebt mij de rug toegekeerd
  en mij weggejaagd.
  Zal ik Uw heilige tempel ooit nog terugzien?'
  Ik verdween onder de golven
  en zag de dood in de ogen.
  Het water sloot zich boven mij;
  het zeewier wond zich om mijn hoofd.
  Ik zakte naar beneden, naar de voeten van de bergen
  die oprijzen uit de zeebodem.
  Ik was voor altijd van het leven afgesloten
  en zat als een gevangene in het land van de dood.
  Maar, HERE mijn God,
  U hebt mij tussen de kaken van de dood weggerukt!

  Toen ik alle hoop had laten varen,
  dacht ik nog eenmaal aan de HERE.
  En mijn oprechte gebed ging uit naar U
  in Uw heilige tempel.

  Wie afgoden vereren,
  keren de genade van de HERE de rug toe!
  Ik zal nooit iemand anders aanbidden dan U!
  Want hoe kan ik U genoeg danken
  voor alles wat U voor mij hebt gedaan?
  Mijn besluit staat vast.
  Ik zal met een loflied op de lippen mijn beloften nakomen.
  Want verlossing komt van de HERE alleen."

Jona 2:10
OP LAND UITGESPUUGD. Toen gaf de HERE de vis bevel Jona op het strand uit te spugen en het dier deed dat.

Jona 3:1,2
MISSIE OPNIEUW OPGEDRAGEN. Daarna sprak de HERE opnieuw tot Jona en zei: "Maak u klaar om naar die grote stad Ninevé te gaan en de inwoners te waarschuwen voor hun ondergang, zoals Ik u al eerder heb gezegd!"

Jona 3:3-5
NINEVIETEN TONEN BEROUW. Deze keer gehoorzaamde Jona en ging op weg naar Ninevé. Het was een enorme stad. Iemand te voet had drie dagen nodig om dwars door de stad te lopen, zo groot was Ninevé. Maar al op de eerste dag, toen Jona een dagreis ver in de stad was rondgegaan en begon te prediken, toonden de inwoners berouw. Jona riep de mensen, die zich om hem heen verzamelden, toe: "Over veertig dagen zal Ninevé worden vernietigd!" Zij geloofden hem en riepen een vasten uit; zowel de hooggeplaatsten als de gewone mensen trokken rouwkleding aan; de ruwe, stugge gewaden, die bij treurige gebeurtenissen werden gedragen.

Jona 3:6-9
KONING BEVEELT RECHTSCHAPENHEID. Toen de koning van Ninevé hoorde wat Jona zei, stapte hij van zijn troon, trok zijn koninklijke kleding uit, rouwkleding aan en ging in de as zitten. De koning en zijn edelen stuurden een boodschap door de stad, die luidde:
"Laat niemand, zelfs de dieren niet, ook maar iets eten. Er mag geen slokje water worden gedronken. Iedereen moet rouwkleding dragen en God aanroepen. Laat iedereen zijn verkeerde wegen verlaten en geweld en diefstal achterwege laten. Wie weet zal God toch nog besluiten ons te laten leven en zal Hij ons in Zijn ontzettende toorn niet vernietigen."

Jona 3:10
GOD TOONT ERBARMEN. Toen God zag dat zij een eind hadden gemaakt aan hun misdadige gedrag, zette Hij Zijn vernietigingsplan opzij en voerde het niet uit.

Jona 4:1-4
JONA BOOS OP GOD. Jona was echter woedend dat God van gedachten was veranderd. Hij beklaagde zich erover bij de HERE en zei in zijn gebed: "Dit is nu precies wat ik dacht dat U zou gaan doen, HERE, toen ik nog thuis was en U mij opdroeg hierheen te gaan. Daarom vluchtte ik naar Tarsis. Want ik wist dat U een genadig en barmhartig God bent. U wordt niet snel boos en bent erg vriendelijk; ik wist hoe gemakkelijk U ertoe zou kunnen besluiten af te zien van het plan deze mensen te vernietigen. Dood mij alstublieft, HERE; ik ben liever dood dan levend."
Maar de HERE zei: "Is het wel juist, dat u hierover zo kwaad bent?"

Jona 4:5-11
BOOM ILLUSTREERT GODS BEKOMMERING. Jona verliet de stad en zocht een plaats ten oosten van de stad. Hij maakte van bladeren een dak om voor schaduw te zorgen, terwijl hij zat te wachten of er iets met de stad ging gebeuren. Toen de bladeren van het afdakje in de hitte begonnen te verdorren, zorgde de HERE voor een wonder. Hij liet een boom snel opgroeien en zijn brede bladeren schaduw geven. Dat stemde Jona blij en dankbaar. Maar God zorgde ook voor een worm! De volgende morgen, toen het licht begon te worden, at het dier zich door de stengel van de boom, zodat deze verwelkte en stierf. Toen de zon flink begon te steken, liet God een hete oostenwind over Jona heenwaaien. De zon beukte met haar stralen op zijn hoofd tot hij duizelig werd en naar de dood verlangde. Vertwijfeld zei hij: "De dood is beter dan dit!"
Toen zei God tegen Jona: "Is het juist dat u kwaad bent over deze boom?"
"Ja", zei Jona, "dat is het zeker; U ziet het goed. Ik ben zo kwaad dat ik er haast dood aan ga!"
Toen zei de HERE: "U hebt medelijden met uzelf omdat die beschermende plant is gestorven, ook al was het niet uw werk dat hij daar kwam en hem een kort leven was beschoren. Waarom zou Ik dan geen medelijden voelen met een grote stad als Ninevé waarin alleen al meer dan 120.000 kinderen wonen en ook nog veel vee aanwezig is?"

Het historische verslag bevestigt nu Jona's missie en vertelt hoe God Jerobeam grote militaire successen en welvaart schenkt.

In Israël

2 Kon. 13:5, 14:25-27
ISRAEL HERSTELD. De HERE gaf Israël een bevrijder, die het volk zou redden van de tirannie van de Syriërs. Jerobeam de Tweede heroverde het gebied van Israël tussen Hamath en de Dode Zee, precies zoals de HERE had voorzegd door de profeet Jona uit Gath-Hefer, de zoon van Amittai. Daarna konden de Israëlieten weer een rustig en veilig bestaan leiden, zoals dat ook in vroeger dagen was geweest.
Want de HERE had de bittere ellende van Israël gezien; er was niemand die haar kon helpen. En omdat Hij niet had gezegd dat Hij Israël ten onder zou laten gaan, gebruikte Hij koning Jerobeam de Tweede om het land te bevrijden.

2 Kon. 13:6
ISRAEL GAAT DOOR MET ZONDIGEN. Maar voorlopig gingen zij door met zondigen, in navolging van de goddeloze Jerobeam. Zij bleven ook de godin Astarte in Samaria aanbidden.

Download (Het Boek)
Download (Statenvertaling)

De chronologische Bijbel -- juni



Met dank aan Biblica en Harvest House Publishers. Nadruk en reproductie verboden.
Voor meer details, lees alsjeblieft onze copyrightvoorwaarden



WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen