6 november


Bediening van Galilea naar Judea

Na het Feest der Tabernakels keert Jezus kennelijk naar Kapernaüm terug voor de laatste twee maanden van Zijn bediening in Galilea. Daar ervaart Hij niet alleen groeiende oppositie van de plaatselijke bevolking die op zoek is naar een politieke leider, maar weet Hij ook dat het moment nadert waarop Hij zal worden overgeleverd. Vanaf dit punt biedt Jezus Zijn laatste lijden resoluut het hoofd. Op Zijn reis naar Jeruzalem wordt Hij in Samaria opnieuw onmiddellijk afgewezen. Jezus lijkt een laatste oproep te doen aan de noordelijke streek; Hij stuurt 72 van Zijn discipelen op pad, aan wie Hij macht geeft om in Zijn naam te helen en die de komst van Zijn koninkrijk moeten verkondigen.
Terwijl Jezus door Judea trekt, bevindt Hij zich kennelijk vlakbij Jericho wanneer Hij de gelijkenis over de Goede Samaritaan vertelt, een illustratie die nogal opmerkelijk is gezien de recente afwijzing van Jezus door de Samaritanen. Jezus zal dan verder reizen naar Bethanië, waar Hij het huis van Martha en Maria bezoekt, waarna Hij Zijn weg naar Jeruzalem vervolgt voor het Feest van de Tempelwijding.
Dit is een overgangsperiode voor de Meester. De aanvankelijke opwinding onder de menigten heeft plaatsgemaakt voor twijfel en zelfs vijandigheid wanneer Jezus weigert om de rol te aanvaarden die de meeste mensen Hem willen opdringen. Op een bepaalde manier is dit karakteristiek voor de ommekeer die onafwendbaar is wanneer mensen Jezus om de verkeerde redenen in hun levens ontvangen: de opwinding kan dan plaats maken voor teleurstelling.

Mat. 19:1,2, Mar. 10:1, Luk. 9:51-56 - Van Samaria naar Judea
EINDE VAN GALILESE BEDIENING. De tijd van Zijn terugkeer naar God kwam steeds dichterbij. Jezus was vastbesloten naar Jeruzalem te gaan. Op een dag stuurde Hij enkele mannen vooruit naar een Samaritaans dorp om onderdak voor Hem te zoeken. Maar de mensen daar wilden niets te maken hebben met iemand die naar Jeruzalem ging. Toen Jakobus en Johannes dit hoorden, vroegen zij Jezus: "Meester, vindt U het goed dat wij vuur van de hemel laten komen om die mensen te verbranden?" Jezus keerde Zich om en zei dat zij zich moesten schamen. Daarna ging Hij verder naar een ander dorp.

Luk. 17:11-19
TIEN MELAATSEN GENEZEN. Op weg naar Jeruzalem kwam Jezus bij de grens tussen Galilea en Samaria. Toen Hij een dorp binnenging, liepen tien melaatse mannen Hem tegemoet. Ze bleven op een afstand staan en riepen: "Meester! Jezus! Heb medelijden met ons!"
Hij keek hen aan en zei: "Ga naar de priester om te laten zien dat u genezen bent." Terwijl ze gingen, verdween hun melaatsheid.
Een van hen kwam bij Jezus terug en juichte: "Wat is God goed! Ik ben genezen!" Hij viel uit eerbied languit voor Jezus neer, met zijn gezicht in het stof. En hij dankte Hem voor wat Hij had gedaan. Deze man was een Samaritaan.
Jezus vroeg: "Zijn niet al die tien mannen genezen? Waar zijn de negen anderen? Is alleen deze man teruggekomen om God te prijzen en te danken? En hij is niet eens een Jood!" Jezus zei tegen de man: "Sta op. U kunt gaan. U bent gered door uw geloof."

Mat. 11:20-24, Luk. 10:1-16
TWEEENZEVENTIG UITGEZONDEN. Jezus wees nog zeventig andere discipelen aan. Hij stuurde hen twee aan twee vooruit naar de dorpen en steden waar Hij langs zou komen. Hij zei tegen hen: "Vraag God meer arbeiders te sturen om de oogst binnen te halen. Want de oogst is groot, maar er zijn te weinig arbeiders. Ga dan en vergeet niet dat Ik jullie er op uitstuur als lammeren tussen de wolven. Neem geen geld mee, geen tas en zelfs geen extra schoenen. Ga recht op je doel af.
Breng vrede in elk huis dat je binnengaat. Woont daar een vredelievend man, dan zal je vrede over hem komen. Zo niet, dan komt die vrede bij je terug. Wanneer je in een dorp komt, ga dan niet van het ene adres naar het andere. Blijf logeren in hetzelfde huis en eet en drink wat je wordt voorgezet. Geniet gerust van de gastvrijheid. Een arbeider moet zijn loon hebben.
Als jullie in een stad gastvrij worden ontvangen, moet je dit doen: Eet zonder bezwaar wat je wordt voorgezet. Genees de zieken. En zeg tegen de mensen dat het Koninkrijk van God heel dichtbij is gekomen. Maar als ze in een stad niets van jullie willen weten, ga dan door de straten en zeg: 'Kijk, dit is stof van jullie stad! Wij schudden het van onze voeten! Het is afgelopen met jullie! Vergeet nooit hoe dicht het Koninkrijk van God bij jullie is geweest!' Op de vreselijke dag van het grote oordeel zal het voor zo'n stad erger zijn dan voor het beruchte Sodom.
Och Chorazin! Och Bethsaïda! Hoe verschrikkelijk is het! Want als de steden Tyrus en Sidon de geweldige wonderen hadden gezien die Ik bij u heb gedaan, dan zouden zij zich allang van de zonde hebben afgekeerd. Van berouw over hun slechte leven zouden zij in zak en as zitten. Nee, voor Tyrus en Sidon zal het op de dag van het grote oordeel niet zo zwaar zijn als voor u. En wat moet Ik van Kapernaüm zeggen? Zal het worden verheerlijkt tot in de hemel? Nee, het zal worden vernederd tot in de dood."
Tegen Zijn discipelen zei Hij: "Wie naar jullie luistert, hoort Mij. Wie jullie negeert, negeert Mij. En wie Mij negeert, negeert God Die Mij heeft gestuurd."

Luk. 10:17-20
TWEEENZEVENTIG KEREN TERUG. Na verloop van tijd kwamen de zeventig discipelen weer bij Hem terug. "Here", zeiden zij opgetogen, "als wij Uw naam gebruiken, doen zelfs de boze geesten wat wij zeggen!"
Hij antwoordde: "Ik zag satan als een bliksemschicht uit de hemel vallen. Ik heb jullie macht gegeven over al de krachten van de vijand. Jullie zullen slangen en schorpioenen vertrappen. Niets, werkelijk niets, zal jullie kwaad doen. Maar het belangrijkste is niet dat de boze geesten doen wat jullie zeggen. Waar jullie vooral blij om moeten zijn, is dat jullie namen in de hemel geregistreerd staan."

Mat. 11:25-27, Luk. 10:21-24
DANKZEGGING VOOR OPENBARING. Op dat moment bracht de Heilige Geest in Jezus een geweldige blijdschap teweeg. Hij sprak: "Vader! Heer van hemel en aarde! Wat geweldig dat U deze dingen hebt verborgen voor intellectuelen en geleerden. Maar U hebt ze bekend gemaakt aan kleine kinderen. Dank U, Vader. Zo hebt U het gewild.
Mijn Vader heeft Mij alles toevertrouwd. Niemand weet wie Ik ben, behalve de Vader. En niemand weet wie de Vader is, behalve Ik en de mensen aan wie Ik het wil bekendmaken."
Daarna keek Hij Zijn discipelen aan en zei: "Het is een enorm voorrecht dat jullie dit allemaal mogen zien. Vele profeten en koningen hebben ernaar gehunkerd te zien wat jullie zien en te horen wat jullie horen.

Mat. 11:28-30
RUST VOOR VERMOEIDEN. Als de lasten u drukken en u vermoeid raakt, kom dan bij Mij. Ik zal u rust geven. Voeg u naar Mij en wees mijn discipel, want Ik ben vriendelijk en nederig van hart. Bij Mij zult u diepe innerlijke rust vinden. Wat Ik van u vraag is nooit te zwaar en de last die u voor Mij moet dragen, is licht."

Luk. 10:25-37 - Jericho?
GELIJKENIS VAN DE GOEDE SAMARITAAN. Op een dag was er een godsdienstleraar die wilde onderzoeken of Jezus' ideeën wel zuiver waren. "Meester", vroeg hij, "wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?"
Jezus vroeg: "Wat zegt de wet van Mozes daarover?"
Hij antwoordde: "U moet van de Here, uw God houden met heel uw hart, heel uw ziel, heel uw kracht en heel uw verstand. En u moet net zoveel van uw medemens houden als van uzelf."
"Goed!" zei Jezus. "Doe dat en u zult eeuwig leven krijgen."
De man voelde zich aangesproken. Om zich te rechtvaardigen, vroeg hij: "Wie is eigenlijk mijn medemens?"
Als antwoord gaf Jezus hem dit voorbeeld: "Een man reisde van Jeruzalem naar Jericho. Onderweg werd hij door rovers overvallen. Zij rukten hem de kleren van het lijf, sloegen hem bont en blauw en lieten hem halfdood langs de weg liggen. Toevallig kwam een priester langs. Maar toen hij de man zag liggen, ging hij aan de overkant van de weg voorbij. Een tempeldienaar die voorbijkwam, deed hetzelfde en liet de man gewoon liggen. Gelukkig kwam er ook iemand langs die medelijden kreeg toen hij hem daar zag liggen. Het was een Samaritaan, een vijand van de Joden. De Samaritaan knielde naast hem neer, verzorgde zijn wonden met olie en wijn en legde er verband om. Daarna tilde hij hem op zijn ezel en ging er zelf naast lopen. Zij kwamen bij een herberg, waar hij hem verder verzorgde. De volgende morgen gaf hij de herbergier twee zilveren munten en zei: 'Zorg goed voor hem. Mocht dit geld niet genoeg zijn, dan betaal ik de rest de volgende keer wel.'
Wat denkt u? Wie van deze drie was de medemens van het slachtoffer van de roofoverval?"
"De man die medelijden met hem had", was het antwoord.
"Precies", zei Jezus. "Volg zijn voorbeeld dan."

Luk. 10:38-42 - Bethanië?
BIJ MARTHA EN MARIA. Tijdens hun reis naar Jeruzalem kwamen Jezus en Zijn discipelen in een dorp waar zij gastvrij werden ontvangen door een zekere Martha. De zuster van deze vrouw, Maria, ging meteen bij Jezus zitten om naar Hem te luisteren. Maar Martha had het veel te druk met het klaarmaken van het eten. Op een gegeven ogenblik werd het haar teveel. Zij kwam bij Jezus staan en zei: "Here, hoe kunt U het goed vinden dat mijn zuster hier maar zit en ik al het werk moet doen! Zeg toch tegen haar dat zij mij moet helpen."
"Martha, Martha", antwoordde Jezus. "Wat maak je je toch druk! In het leven heb je niet zoveel nodig. Eigenlijk maar één ding. Maria heeft dat ene ontdekt en het zal haar niet worden afgenomen."

Luk. 11:1-4 - Olijfberg?
EEN LES IN BIDDEN. Op een keer was Jezus ergens aan het bidden. Toen Hij daarmee ophield, kwam één van Zijn discipelen bij Hem en vroeg: "Here, wilt U ons leren bidden? Johannes de Doper heeft het zijn discipelen ook geleerd."
Jezus zei: "Als u bidt, zeg dan:

  'Onze Vader in de hemelen!
  Wij eren Uw heilige naam.
  Laat Uw koninkrijk komen.
  Geef ons elke dag opnieuw het voedsel dat wij nodig hebben.
  Vergeef ons de zonden die wij hebben gedaan.
  Want wij vergeven ook de mensen die ons iets hebben aangedaan.
  Laat niet toe dat wij in verleiding komen.'"

Luk. 11:5-8
GELIJKENIS OVER VOLHARDING. Jezus leerde hun nog meer over het gebed. "Stel dat je midden in de nacht naar een vriend gaat om drie broden te lenen. Je maakt hem wakker en zegt: 'Er is een vriend bij ons aangekomen. Hij heeft een hele reis achter de rug. En nu heb ik niets voor hem te eten.'
De man roept vanuit zijn slaapkamer: 'Laat me nou toch slapen! De deur is op slot en we liggen allemaal in bed! Ik kom er nu niet uit om je te helpen.' Maar als je aandringt, zal hij toch opstaan om je te geven wat je nodig hebt. Dat verzeker ik je. Niet omdat je zijn vriend bent, maar omdat je de moed hebt gehad te blijven aandringen.

Luk. 11:9-13
MET GELOOF BIDDEN. Luister, zo gaat het ook bij het bidden. Vraag en je zult ontvangen. Zoek en je zult vinden. Klop en de deuren zullen voor je opengaan. Want ieder die bidt, ontvangt. Wie zoekt, vindt. En voor wie klopt, gaat de deur open.
Velen van jullie hebben kinderen. Als je zoon je om een vis vraagt, geef je hem dan een slang? Of als hij om een ei vraagt, geef je hem dan een schorpioen? Natuurlijk niet! Dus, al ben je slecht, je geeft je kinderen toch wat zij nodig hebben. Hoeveel te meer zal je hemelse Vader de Heilige Geest geven aan wie Hem daarom vragen?"

In Jeruzalem voor het Feest van de Tempelwijding

Het is niet zeker of Jezus juist voor het Feest van de Tempelwijding of om andere redenen naar Jeruzalem is gekomen, maar Hij bevindt Zich in december in Jeruzalem, tijdens het acht dagen durende feest dat we tegenwoordig kennen als Chanoeka. Dit feest werd pas in 164 voor Christus door Judas Makkabeüs ingesteld als herinnering aan de herinrichting van de tempel, nadat deze in 168 voor Christus door Antiochus Epiphanes werd onteerd door heidens gebruik. Trouwe Joden verzamelen zich in Jeruzalem om die tempelwijding te vieren. Jezus maakt gebruik van de gelegenheid om het grote aantal aanwezigen toe te spreken.
Wanneer diverse Joodse leiders Jezus vragen of Hij de Christus is, herinnert Hij hen aan de wonderbaarlijke daden die Hij heeft verricht als bewijs van Zijn Godheid. Hij zegt vervolgens dat Hij en de Vader één zijn, wat de Joden in woede doet ontsteken omdat zij dit als een grove godslastering zien. Zij rapen stenen op om Jezus te stenigen en Hem te laten arresteren, maar Jezus ontsnapt.

Joh. 10:22-30 - Jeruzalem (nov./dec., 29 n.C.)
JEZUS BEVESTIGT ZIJN GODHEID. In Jeruzalem werd het jaarlijkse feest van de tempelvernieuwing gevierd. Het was winter; Jezus wandelde in de galerij van Salomo. De Joden kwamen om Hem heen staan en vroegen: "Hoe lang houdt U ons nog in spanning? Als U de Christus bent, zeg het dan!"
"Dat heb Ik al gezegd", antwoordde Jezus, "maar u gelooft Mij niet. De wonderen die Ik in de naam van mijn Vader doe, zijn het overtuigende bewijs dat Ik de Christus ben. U gelooft Mij niet, omdat u niet bij mijn kudde hoort. Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze. Zij volgen Mij en Ik geef hun eeuwig leven. Zij zullen nooit verloren gaan. Niemand kan hen van Mij afnemen. Mijn Vader Die hen aan Mij gegeven heeft, is groter dan wie ook. Niemand kan hen uit de hand van mijn Vader wegroven. De Vader en Ik zijn één."

Joh. 10:31-39
POGING OM JEZUS TE STENIGEN. Weer pakten zij stenen om Hem te stenigen. Jezus zei tegen hen: "U hebt met eigen ogen gezien wat Ik door de kracht van de Vader heb gedaan. Waarom wilt u Mij nu stenigen?"
"Wij willen U niet straffen om al het goede wat U gedaan hebt", antwoordden zij, "maar omdat U God beledigt. U bent een mens als wij en U maakt Uzelf tot God!"
Jezus zei: "Staat er niet geschreven: 'Ik zeg dat u goden bent'? En als God het zegt, is het zo. De mensen tegen wie God dit zei, werden dus 'goden' genoemd. Hoe durft u dan te beweren dat Ik God beledig door te stellen dat Ik Zijn Zoon ben? Ik ben nog wel door de Vader uitgekozen en naar de wereld gestuurd. Als Ik niet dezelfde wonderen doe als mijn Vader, hoeft u Mij niet te geloven. Maar als Ik dat wél doe en u gelooft Mij nog niet, geloof dan in de dingen die Ik doe! Dan zult u weten en ook moeten erkennen dat de Vader in Mij is en dat Ik in de Vader ben." Zij stonden weer op het punt Hem gevangen te nemen, maar Hij ontkwam.

Joh. 10:40-42 - Perea
NAAR PEREA. Jezus ging terug naar de andere kant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes voor het eerst doopte. Daar bleef Hij een tijd. Velen kwamen naar Hem toe en zeiden tegen elkaar: "Johannes heeft geen wonderen gedaan. Maar alles wat hij over deze Jezus zei, is waar gebleken." En velen kwamen tot geloof in Jezus.

Download (Het Boek)
Download (Statenvertaling)

De chronologische Bijbel -- november



Met dank aan Biblica en Harvest House Publishers. Nadruk en reproductie verboden.
Voor meer details, lees alsjeblieft onze copyrightvoorwaarden



WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen