Hoe zit het dan met kinderen, baby's en geaborteerde foetussen? Waar gaan zij naartoe wanneer ze sterven?
De Bijbel leert ons dat God genadevol is voor mensen die jonger zijn dan een bepaalde "leeftijd van verantwoordelijkheid". In God's perspectief is dit de leeftijd waarop iemand oud genoeg is om het concept te kunnen begrijpen van de menselijke zonden en van God's gratis geschenk om aan die zonden te ontsnappen. Niemand weet precies wat die "leeftijd van verantwoordelijkheid" is. Gebaseerd op verschillende Schriftteksten in de Bijbel zou deze ergens tussen de leeftijd van 6 en 19 jaar kunnen liggen. Bovendien kan het zo zijn dat die "magische" leeftijdgrens van mens tot mens variëert, gebaseerd op zijn of haar intellect, volwassenheid en ervaring. Maar, we weten dat God perfect liefhebbend en perfect rechtvaardig is. Daarom kunnen we, gebaseerd op God's allesoverheersende eigenschap van onvoorwaardelijke liefde voor elk individueel kind, er op vertrouwen dat Hij perfecte beslissingen neemt, wat de leeftijd van verantwoordelijkheid ook mag zijn, en hoe de omstandigheden van het kind er dan ook mogen uitzien.
Door God's genade weten we dat baby's en geaborteerde foetussen naar de hemel gaan om voor altijd bij God te zijn. Psalm 139 zegt dat we zelfs al vóór onze geboorte, in de baarmoeders van onze moeder, al unieke mensen zijn. Dit betekent dat een geaborteerde baby een kind van God is dat door God's mededogen en liefde naar de hemel zal gaan wanneer het sterft. Toen Koning David zijn baby-zoontje verloor was het duidelijk dat hij wist dat zijn baby in de hemel bij God was. Mensen vroegen hem: "Hoe kunt u dat nu doen? Toen het kind nog leefde, vastte u en stortte u tranen, maar nu het gestorven is, staat u op en gaat u eten!" David antwoordde: "Toen het kind nog leefde, vastte ik en stortte ik tranen. Ik dacht: Wie weet is de HEER me genadig en blijft het kind in leven. Maar nu het dood is, wat zou ik nu nog vasten? Daarmee kan ik het toch niet terughalen. Ik ga naar hem toe; hij komt niet terug bij mij" (2 Samuël 12:21-23).