Dat mag dan wel een goede benadering zijn van de algehele geloofwaardigheid van de Bijbel, maar hoe zit het dan met de vastgestelde mythen en legenden? Als de aarde bijvoorbeeld minder dan 10000 jaar oud is (zoals de Bijbel ons vertelt), hoe zit het dan met het licht van de sterren waarvan men zegt dat het miljoenen en miljarden jaren nodig heeft om ons te bereiken?
Hoewel er talrijke chronometers bestaan die op een "jonge" aarde wijzen, bestaat er nog steeds geen sluitend oordeel over de kwestie van het sterrenlicht. Hoewel we een variëteit aan intrigerende theorieën hebben gelezen die door creationisten zijn voorgesteld, is nog geen enkele van deze theorieën absoluut, wetenschappelijk geverifieerd (hoe dit dan ook zou moeten gebeuren). Maar, gebaseerd op de Schriftteksten en de mathematica geloven wij niet dat het antwoord gevonden kan worden in de vermeende veranderlijke aard van de lichtsnelheid (dat wil zeggen: dat deze met de tijd is afgenomen), maar veeleer in de relatieve aard van de tijd zelf. We weten nu mathematisch dat tijd een dimensie is die drastisch beïnvloedt wordt door ruimte en zwaartekracht. Einstein stelde vast dat tijd geen constante is. Omdat het universum een "weefsel" is dat uit ruimte en tijd bestaat, zal het samendrukken, vervormen of uitrekken van dat weefsel (inclusief de schepping van een zogenaamde "gravity well" bij de oorsprong van die vervorming) een significante invloed hebben op de tijd zoals wij die hier op aarde waarnemen.
Zeventien passages in de Schriftteksten refereren aan het door God uitrekken van de hemelen (bijvoorbeeld Jesaja 42:5, Jesaja 45:12,
Jeremia 10:12, Zacharia 12:1, Psalm 104:2). Deze Schriftteksten refereren feitelijk zelfs aan het uitrekken van de hemelen als een gordijn of een tent. Door middel van de mathematica begrijpen we nu dat het "strekken" van een drie-dimensionale ruimte drastische gevolgen kan hebben voor de tijdsdimensie. Ruimte en tijd zijn feitelijk zo nauw met elkaar verbonden dat de wetenschap deze nu in één adem "het ruimte-tijd continuüm" noemt. Het mag duidelijk zijn dat we hier geen waterdicht mathematisch model voorstellen. Maar we opperen wel het idee dat een ster die zich miljoenen lichtjaren van de aarde af bevindt daar niet noodzakelijkerwijs zo lang geleden geplaatst hoefde te zijn (in aardse tijdrekening gesproken), door middel van een significante uitrekking van de ruimte dichtbij de oorsprong van de tijd zelf.