1 januari


DE VROEGE JAREN DER MENSHEID

(Schepping tot 2100 voor Christus)


Het begin

Is het mogelijk om je een tijd voor te stellen waarin niets bestond? Neem de helderheid van de zon eens weg, bijvoorbeeld, of het nachtelijke licht van de maan en de sterren. Hoe zou het leven er zonder hen uitzien? Stel je eens voor dat er geen wolken en lucht en rivieren en oceanen zouden zijn. Denk eens aan een aarde zonder mensen, dieren, vissen, vogels, gras, bomen of planten. Hoe zou een volledig lege aarde eruit zien? En hoe zou het zijn als er helemaal geen aarde was, en geen universum – niets? Heeft het universum altijd bestaan? Was er ooit een moment waarop het universum een begin had? Het moet toch zeker een begin hebben gehad? Maar wanneer was dat dan? En hoe gebeurde het allemaal? Wie of wat was de oorzaak? En met welk doel begon het allemaal, als er al een doel was? Wie ben ik? Waar kwam ik vandaan? Waarom ben ik hier?
Sinds het begin van de geschreven geschiedenis hebben mannen en vrouwen uit elke generatie, in elke cultuur en overal op aarde naar antwoorden op deze vragen gezocht. Sommigen zeggen dat het allemaal door toeval ontstond, volledig zonder reden of doel. Maar een toevallige oorsprong lijkt moeilijk te aanvaarden, omdat het universum niet alleen ordelijk is maar ook de indruk wekt dat het op een intelligente manier ontworpen is. En een leven zonder betekenis lijkt zeer tegenstrijdig met de menselijke geest zelf, die juist naar betekenis op zoek gaat. Wat zijn de antwoorden dan? Waar kwam ik vandaan en waarom ben ik hier? Hoe begon het allemaal?

Gen. 1:1-2
VERSLAG VAN DE SCHEPPING. In het begin heeft God de hemelen en de aarde gemaakt. De aarde was woest en leeg en de Geest van God zweefde boven de watermassa. Over de watermassa lag een diepe duisternis.

Gen. 1:3-5
Toen zei God: "Laat er licht zijn." En toen was er licht. Het beviel God en Hij maakte een duidelijke scheiding tussen het licht en het donker. Het licht noemde Hij 'dag' en het donker 'nacht'. Het werd avond en het werd weer morgen: de eerste dag.

Gen. 1:6-8
Toen zei God: "Laat de watermassa uit elkaar gaan, zodat de wolkenhemel en de zeeën worden gevormd." Zo maakte God de wolkenhemel, door de watermassa te verdelen tussen hemel en aarde. Het werd avond en het werd weer morgen: de tweede dag.

Gen. 1:9-13
Daarna zei God: "Laat het water onder de hemel samenstromen in zeeën en het droge land zichtbaar worden." En dat gebeurde. God noemde het droge land 'aarde' en het samengestroomde water 'zeeën'. God zag dat het goed was.
En God zei: "Laten er allerlei gewassen, zaaddragende planten en vruchtbomen met zaad in hun vruchten op aarde groeien. De zaden zullen steeds weer planten en bomen voortbrengen." Dat gebeurde en ook nu was het goed, zag God. Het werd avond en weer morgen: de derde dag.

Gen. 1:14-19
Toen zei God: "Ik wil dat er heldere lichten aan de hemel verschijnen om de aarde te verlichten en het verschil tussen dag en nacht aan te geven. Die lichten zullen de vaste tijden regelen en de dagen en jaren aangeven." En zo gebeurde het. God maakte twee grote lichten, de zon en de maan, die de aarde moesten verlichten. Het grootste licht, de zon, beheerste de dag en het kleinere, de maan, beheerste de nacht. Tegelijkertijd maakte God de sterren. Hij plaatste de lichten aan de hemel om de aarde te verlichten, dag en nacht aan te geven en het donker van het licht te scheiden. God zag dat het goed was. Dit alles gebeurde op de vierde dag.

Gen. 1:20-23
Vervolgens zei God: "Ik wil dat de zeeën wemelen van vis en ander leven en laat de lucht vol zijn met allerlei soorten vogels." Zo maakte God de grote zeedieren, allerlei vissen en vogels, elk naar hun eigen aard. En Hij keek er met welgevallen naar en zegende ze. "Vermenigvuldig je en bevolk de zeeën", zei Hij tegen hen en tegen de vogels zei Hij: "Zorg dat jullie aantal groeit, zodat de aarde vol wordt." Nadat het avond was geweest, werd het weer morgen: de vijfde dag.

Gen. 1:26-30
Toen zei God: "Laat Ons mensen maken die op Ons lijken en kunnen heersen over alle dieren op aarde, in de zeeën en in de lucht."

  God schiep daarop de mens als Zijn evenbeeld.
  Als man en vrouw schiep Hij hen.

God zegende hen en zei: "Vermenigvuldig je, bevolk de aarde en onderwerp haar. Heers over de vissen, de vogels en alle andere dieren. Kijk om je heen! Overal op aarde staan zaaddragende planten en vruchtbomen, die Ik jullie tot voedsel geef. Al het gras en de planten heb Ik als voedsel aan de dieren en de vogels gegeven."

Gen. 1:31-2:1
Toen overzag God alles wat Hij gemaakt had en het was heel goed. Zo eindigde de zesde dag. Zo werden de hemelen en de aarde en alles wat leeft gemaakt.

Gen. 2:2-4
Op de zevende dag rustte God na afloop van Zijn scheppend werk. Hij zegende die zevende dag en maakte hem tot een bijzondere, heilige dag, omdat Hij die dag Zijn scheppingswerk besloot. Dit is een samenvatting van het werk dat de HERE God verrichtte toen Hij de hemelen en de aarde heeft gemaakt.

Adam en Eva

Het antwoord is God. God is de Schepper van alle dingen. God bestond al voordat het universum tot ontstaan kwam. En door God kwam dit alles tot stand. Wat een macht en grootsheid moet deze God bezitten! Het Genesis verslag over het begin van alle dingen is een openbaring die de schepping toeschrijft aan een almachtig, alwetend en doelgericht Opperwezen – een levende Schepper en een geestelijke God die handelt op basis van een betekenisvolle bedachtzaamheid. Het verslag suggereert, in de beschrijving van de schepping van de mens, dat God met meerdere stemmen sprak toen Hij Zijn schepping tot stand bracht. De implicatie is dat deze goddelijke persoonlijkheid een volledigheid bezit, een volledigheid die nog meer geopenbaard zal worden wanneer de Bijbelse tekst zich ontvouwt.
Nog belangrijker is de uitspraak dat de mens, op een manier die wezenlijk afwijkt van de andere schepselen, naar de gelijkenis van God zelf is geschapen. Dit kan uiteraard niet betrekking hebben op een lichamelijke gelijkenis, omdat God al bestond voordat er enige materiële dingen bestonden. De tekst suggereert dus waarschijnlijk dat mensen, net als God, in essentie geestelijke wezens zijn, met een intelligentie, een moreel bewustzijn en een keuzevrijheid. Ook al wordt de mens beperkt door zijn menselijke gestalte, toch is de mens creativiteit gegeven en wordt hem toegestaan om in zekere mate over Gods schepping en de lagere schepselen te heersen. Wat een wonderbaarlijke gedachte, dat de mens, man en vrouw, door de Schepper een dergelijke eer is gegeven!
Om het belang van de schepping van de mens te onderstrepen geeft het boek Genesis ons vervolgens een bijzonder verslag over de eerste man en de eerste vrouw, Adam en Eva. Adam wordt eerst uit de elementen van de aarde gevormd, alsof God hem als een pottenbakker uit een aarden klomp vervaardigt. Dan wordt Eva uit een onderdeel van Adams lichaam gemaakt. Dit suggereert een volledigheid en een eenheid die door man en vrouw samen gevormd wordt; vooral wanneer die twee worden samengebracht in een huwelijksrelatie, zoals deze door dit eerste paar wordt ingesteld. Adam en Eva zijn beide uniek omdat God hen de levensadem van Zijn Geest inblies, wat hen anders maakt dan alle andere schepselen. God geeft hen de heerschappij over de andere schepselen en plaatst hen in een hof met weelderige vegetatie in een plaats genaamd Eden, een gebied dat geassocieerd wordt met de rivieren de Tigris en de Eufraat, even ten oosten van de Arabische Woestijn in het Midden-Oosten.
Hier in Eden leiden Adam en Eva tijdelijk een onschuldig leven, totdat beiden door een slang worden verleid om van een bepaalde vrucht te eten, terwijl God hen had verboden om deze vrucht aan te raken of ervan te proeven. Hoewel een volledige verklaring ontbreekt lijkt de slang tijdens deze gebeurtenis gebruikt te worden door Satan, of de Duivel, die vervolgens geïdentificeerd wordt als Gods tegenstander in het geestelijke domein. Hij is de grote Verleider van de mensheid, die hen tracht aan te zetten tot boosaardige daden.
Het gevolg van Adam en Eva's ongehoorzaamheid aan God is een nieuwe kennismaking met de zonde en de realiteit van de bestraffing. Hun zonde brengt niet alleen gevoelens van schaamte, angst en schuld voort, maar leidt ook tot specifieker gevolgen voor de hele mensheid, die ontwaard kunnen worden in alle volgende generaties, die op hun eigen manier ongehoorzaam zijn aan Gods wil. De uiterste bestraffing, voor Adam en Eva persoonlijk, bestaat uit de verbanning uit de hof met al haar geneugten en gemakken. Zij moeten, net als alle volgende generaties, zien om te gaan met de moeilijkheden en de worstelingen die het leven op deze aarde hen opdringt.

Gen. 2:5-7
SCHEPPING VAN DE MAN. Er waren nog geen planten of gewassen opgekomen uit de aarde, omdat de HERE God het nog niet had laten regenen. Ook was er nog niemand, die het land kon bewerken. Er steeg echter een damp uit de aarde op, die het land bevochtigde. Toen vormde de HERE God het lichaam van de mens uit stof van de aarde en blies hem de levensadem in. Zo werd de mens een levend wezen.

Gen. 2:8-17 - Mesopotamië
HOF VAN EDEN. De HERE God plantte een hof in Eden, in het oosten en bracht de mens, die Hij had geschapen daarheen. In de hof plantte Hij prachtige fruitbomen. Midden in de hof plaatste Hij de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad.
Vanuit Eden vloeide een rivier door de hof, die hem vruchtbaar maakte en zich daar in vier rivieren splitste. Eén rivier heet de Pison en stroomt rond het land Havila, bekend om zijn goud, balsemhars en het edelgesteente chrysopraas. De tweede rivier heet Gihon en stroomt door het land Ethiopië. De derde rivier is de Tigris en stroomt naar het oosten van Assur. De vierde rivier is de Eufraat.
De HERE God plaatste de mens in de hof van Eden om de zorg daarvan op zich te nemen en de hof te bewerken. Maar Hij waarschuwde de mens: "Je mag van alle bomen in de hof eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad. Want als je daarvan eet, zul je zeker sterven."

Gen. 2:18-22
SCHEPPING VAN DE VROUW. En de HERE God zei: "Het is niet goed voor de mens alleen te zijn. Ik zal iemand maken met wie hij zijn leven kan delen en die hem kan helpen."
De HERE God maakte uit het stof dieren en vogels en bracht ze bij de mens om te zien hoe hij ze zou noemen. De naam die hij koos, zou voor altijd hun naam blijven.
Maar geen van deze dieren was geschikt als helper voor Adam. Toen liet de HERE God Adam in een diepe slaap vallen, nam een rib uit zijn lichaam en sloot de plaats waaruit Hij de rib had genomen. Uit die rib maakte Hij een vrouw en Hij bracht haar bij de mens.

Gen. 2:23-25
EENHEID VAN MAN EN VROUW. "Ja, dit is wat ik nodig had!" riep Adam blij uit,

  "zij is echt een deel van mijn lichaam.
  Ik zal haar mannin noemen,
  omdat zij is genomen uit de man."

Dit verklaart waarom een man zijn vader en moeder verlaat, zich bij zijn vrouw voegt en werkelijk één met haar wordt.
Hoewel de man en de vrouw allebei naakt waren, hinderde hen dat niet, want zij kenden geen schaamte.

Gen. 3:1-5
VERLEIDING TOT DE ZONDE. De slang was listiger dan alle andere dieren, die de HERE God had gemaakt. Hij zocht de vrouw op en vroeg: "God heeft jullie zeker wel verboden van de bomen in de hof te eten, hè?"
"Nee hoor", antwoordde de vrouw, "wij mogen van alle bomen eten, behalve van die in het midden van de hof. Wij mogen hem zelfs niet aanraken, want dan zullen wij sterven."
"Dat is een leugen", zei de slang, "je zult niet sterven. God zegt dat alleen, omdat Hij weet dat jullie aan Hem gelijk zullen zijn als je daarvan eet. Je ogen zullen open gaan en evenals God zul je het onderscheid kennen tussen goed en kwaad."

Gen. 3:6,7
ZONDE BRENGT SCHAAMTE VOORT. De vrouw liet zich ompraten. Zij keek naar de boom en zag dat de vrucht eetbaar was en er prachtig uitzag. Die vrucht kon haar verstandig maken! Ze plukte wat vruchten en at ervan. Zij gaf ook haar man van de vruchten en hij at er ook van. Toen zij dat hadden gedaan, viel het hun opeens op dat ze naakt waren en zij schaamden zich. Van bladeren van een vijgeboom maakten ze schortjes en hingen die om hun middel.

Gen. 3:8-10
ZONDE BRENGT ANGST VOORT. Die avond hoorden zij de HERE God door de hof wandelen en zij verborgen zich snel tussen de bomen. De HERE God riep: "Adam, waar ben je?"
Adam antwoordde benepen: "Ik hoorde U en toen werd ik bang, want ik wilde niet dat U mij naakt zou zien. Daarom verstopte ik me."

Gen. 3:11-13
ZONDE BRENGT VERWIJTEN VOORT. "Wie heeft je verteld dat je naakt bent?" vroeg de HERE God. "Of heb je soms gegeten van de boom waarvoor Ik jullie had gewaarschuwd?"
"Ja", bekende Adam, "maar de vrouw die U mij hebt gegeven, heeft de schuld. Zij heeft mij ervan gegeven en toen heb ik ervan gegeten."
De HERE God wendde Zich tot de vrouw en vroeg: "Hoe kon je dat nu doen?" Maar ook zij schoof de schuld van zich af. "De slang heeft mij bedrogen en verleid", zei zij.

Gen. 3:14,15
VLOEK OP DE VERLEIDER. Toen zei de HERE God tegen de slang: "Ik zal je hiervoor straffen.

  Onder alle dieren op aarde zul jij een vervloekte zijn!
  Je hele verdere leven zul je op je buik door het stof kruipen.
  De vrouw en jij, en al jullie nakomelingen,
  zullen voortaan vijanden zijn.
  Eén van haar nakomelingen zal je de kop vermorzelen
  en jij zult zijn hiel verbrijzelen.”

Gen. 3:16
GEVOLGEN VOOR DE VROUW. Na die woorden zei God tegen de vrouw:

  "Voortaan zul je met veel pijn en moeite kinderen krijgen.
  Je zult verlangen naar je man en hij zal jouw meester zijn!"

Gen. 3:17-19
GEVOLGEN VOOR DE MAN. Tegen Adam zei Hij: "Omdat je naar je vrouw hebt geluisterd en ondanks mijn waarschuwing toch van de boom hebt gegeten,

  zal Ik de aardbodem vervloeken.
  Voortaan zul je hard moeten werken om in leven te blijven.
  Er zullen dorens en distels groeien
  en je zult de gewassen van het veld eten.
  Tot de dag van je dood zul je zwetend
  het land bewerken om te kunnen leven.
  Dan zal je lichaam vergaan tot het stof van de aarde.
  Want uit stof ben je gemaakt en tot stof zul je weer worden."

Gen. 3:20
DE NAAMGEVING VAN DE VROUW. En de man noemde zijn vrouw Eva, moeder van alle levenden, omdat uit haar alle mensen zouden worden geboren.

Gen. 3:21
SCHAAMTE BEDEKT. De HERE God maakte van dierehuid kleding voor Adam en zijn vrouw.

Gen. 3:22-24
VERBANNING UIT DE HOF. "Door te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad is de mens gelijk geworden aan één van Ons. Als hij nu van de boom van het leven eet, zal hij ook nog voor altijd leven", vond de HERE God. Daarom verbande Hij de mens voor altijd uit de hof van Eden en stuurde hem weg om het land te bewerken, waaruit hij was voortgekomen. God verdreef de mens en plaatste een engel met een vlammend zwaard ten oosten van de hof om de toegang tot de boom van het leven te bewaken.

Download (Het Boek)
Download (Statenvertaling)

De chronologische Bijbel -- januari



Met dank aan Biblica en Harvest House Publishers. Nadruk en reproductie verboden.
Voor meer details, lees alsjeblieft onze copyrightvoorwaarden



WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen